Cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Appel bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding: ontbrekende partijen kunnen via art. 118 Rv worden opgeroepen

CB 2017-92 Geplaatst op 04 mei 2017 door

HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411

Een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een ‘processueel ondeelbare rechtsverhouding’, waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties. Indien dit is nagelaten moet de rechter gelegenheid geven om de ontbrekende partij(en) op de voet van art. 118 Rv alsnog in het geding te betrekken.

De casus

In deze procedure gaat het om een vordering van een erfgenaam tegen de overige erfgenamen tot vaststelling van een boedelbeschrijving en verdeling van de nalatenschap. Twee van de drie gedaagde erfgenamen zijn in eerste aanleg niet verschenen.

De rechtbank heeft de vordering toegewezen en de verdeling van de nalatenschap vastgesteld. De wel verschenen gedaagde is tegen het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep is ingesteld tegen (alleen) de oorspronkelijke eiseres (thans ook eiseres in cassatie), en niet tegen de twee andere erfgenamen/medegedaagden, die in eerste aanleg niet verschenen waren.

Het hof heeft in dit hoger beroep de vonnissen van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd, voor zover de vonnissen waren gewezen tussen de appellerende erfgenaam en eiseres.

Vraagstelling in cassatie

In cassatie draait het voornamelijk om een procesrechtelijke vraag. Eiseres betoogt in cassatie namelijk in de eerste plaats dat het hof niet tot een beslissing over de boedelbeschrijving en de verdeling van de nalatenschap heeft kunnen komen zonder dat alle deelgenoten in de nalatenschap – dus ook de twee niet verschenen erfgenamen – in het geding in hoger beroep waren betrokken. Eiseres beroept zich in haar cassatieklachten verder op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat de beslissing over de beschrijving en verdeling van de gehele te verdelen gemeenschap (i.c. een nalatenschap) een beslissing is die ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin moet luiden (vgl. bijv. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0405, NJ 1992/34). Nu in dit geval twee van de drie mede-erfgenamen in hoger beroep niet waren opgeroepen, kon het hof daarom niet anders – aldus nog steeds de cassatieklacht van eiseres – dan het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren of althans verwerpen.

De processueel ondeelbare rechtsverhouding en de exceptio plurium litis consortium

Met deze cassatieklachten betreedt eiseres het terrein van de zogeheten exceptio plurium litis consortium, ofwel het verweer dat de eis moet worden afgewezen omdat bepaalde derden niet als partijen in het geding zijn betrokken (aldus bijv. HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904, NJ 2000/291).

Een succesvol beroep op de exceptio plurium litis consortium kan (alleen) aan de orde zijn bij een ‘processueel ondeelbare rechtsverhouding’. Dit is een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen in dezelfde zin luidt (vgl. bijv. HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, NJ 2006/444). Voorbeelden hiervan zijn (bepaalde) vorderingen ter zake van de verdeling van een gemeenschap of nalatenschap of de vordering tot vernietiging van een meerpartijenovereenkomst (vgl. voor dit laatste ook art. 3:51 lid 2 BW). Geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is bijvoorbeeld het geval waarin meerdere gedaagden hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden (HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, NJ 2006/444; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3637, CB 2016-51).

Bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding kan het voorkomen dat in eerste aanleg wel, maar in hoger beroep niet alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding worden betrokken. De appellant kan bijvoorbeeld zijn appel slechts hebben gericht tegen één van zijn wederpartijen in eerste aanleg. Omgekeerd kan het voorkomen dat van partijen die in eerste aanleg aan dezelfde zijde stonden, er slechts één hoger beroep heeft ingesteld tegen de wederpartij uit eerste aanleg.

Voor deze laatste situatie heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 21 november 1952, ECLI:NL:HR:1952:AG1994, NJ 1953/468, een uitzondering aanvaard op de hoofdregel dat een uitspraak in hoger beroep geen werking heeft ten aanzien van een partij die zelf geen hoger beroep heeft ingesteld (voor die partij gaat normaal gesproken het vonnis uit eerste aanleg in kracht van gewijsde).  De Hoge Raad nam in het arrest uit 1952 aan dat in dit geval de appelrechter zijn uitspraak óók gelding moet verlenen ten opzichte van de ‘achtergebleven’ partij(en). Dit wordt wel aangeduid als het ‘ius recursus extensum’. De achterliggende gedachte hierbij is dat het recht van een partij om een rechtsmiddel aan te wenden niet afhankelijk moet worden gesteld van de opstelling van diens medepartijen (waarbij bedacht moet worden dat een appellant zijn hoger beroep ook niet mág richten tegen partijen die in eerste aanleg aan dezelfde processuele kant stonden; zie bijvoorbeeld HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0519, NJ 1992/336). Over de wenselijkheid van deze oplossing is overigens in de literatuur wisselend gedacht; zie daarover uitvoeriger de lezenswaardige conclusie van A-G De Bock.

De HR geeft een overzicht van de regels voor procedures over een ondeelbare rechtsverhouding…

In het hier besproken arrest gaat de Hoge Raad om ten opzichte van zijn arrest uit 1952. Hij stelt voorop dat bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding (zoals een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap) nog steeds geldt dat de rechter zijn beslissing daarover slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken partij zijn. Dat geldt zowel in eerste aanleg als wanneer een rechtsmiddel wordt ingesteld.

Concreet betekent dit voor een procedure over een ondeelbare rechtsverhouding het volgende:

“3.5.2 Iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft in eerste aanleg het recht jegens alle andere bij die rechtsverhouding betrokken partijen een beslissing daaromtrent te vorderen, ongeacht wie de procedure heeft aangespannen en ongeacht tegen wie de bij dagvaarding ingestelde vordering zich richt. Voorts heeft ieder van hen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ongeacht door en tegen wie deze is ingesteld.

3.5.3 Tevens moet worden aanvaard dat na aanwending van een rechtsmiddel tegen een beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding, in volgende instanties tussen alle partijen kan worden voortgeprocedeerd op de wijze als hiervoor in 3.5.2 vermeld, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft aangewend, met dien verstande dat, overeenkomstig art. 353 lid 1 Rv, een vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Ook in volgende instanties heeft ieder van partijen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voorts kan ieder van hen incidenteel beroep instellen.”

De procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding wijkt hiermee af van de ‘normale’ procedure, waarin twee (groepen van) partijen recht tegenover elkaar staan. Dit heeft tot gevolg dat in bepaalde opzichten moet worden afgeweken van de gewone regels van de dagvaardingsprocedure:

(i) een reconventionele vordering kan bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding niet alleen worden ingesteld tegen degene die als wederpartij de vordering in conventie heeft ingesteld, maar ook tegen andere deelnemende partijen;

(ii) een rechtsmiddel kan niet alleen worden ingesteld tegen degene die in vorige instantie de wederpartij met betrekking tot de vordering was, maar ook tegen andere partijen (zoals mede-eisers of medegedaagden, of mede-appellanten/mede-geïntimeerden).

Dit sluit overigens volgens de Hoge Raad aan bij hetgeen nu al in de verzoekschriftprocedure geldt.

… en kiest nu voor art. 118 Rv als oplossing indien een partij niet in rechte is betrokken

Het kan natuurlijk gebeuren dat degene die een beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding wil uitlokken, nalaat om alle partijen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken in het geding te roepen. De Hoge Raad kiest op dit punt nu voor een andere oplossing dan in het arrest uit 1952 was neergelegd: in deze situatie dient de rechter – hetzij naar aanleiding van een verweer op dit punt, hetzij ambtshalve – gelegenheid te geven om de ontbrekende partij(en) alsnog op de voet van art. 118 Rv in het geding te roepen. De keuze voor art. 118 Rv als ‘herstelmogelijkheid’ sluit aan bij eerdere rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183,  CB 2015-20 en HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840).

Wordt van deze herstelmogelijkheid geen gebruik gemaakt, dan leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van de betrokken partij in haar vordering of rechtsmiddel. Bij een rechtsmiddel gaat ook pas op dat moment de bestreden uitspraak – ten opzichte van alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen, dus ook degenen die niet in het rechtsmiddel waren betrokken – in kracht van gewijsde.

Met deze keuze voor oproeping van de ontbrekende partij(en) via art. 118 Rv is het ‘ius’recursus extensum’ uit het arrest van 1952 niet meer nodig. De Hoge Raad komt hier dan ook op terug:

“Gelet op het hiervoor in 3.4-3.6.3 overwogene bestaat thans geen behoefte meer aan een regel als aanvaard in HR 21 november 1952, ECLI:NL:HR:1952:AG1994, NJ 1953/468 (…). Zoals hiervoor in 3.4 is vooropgesteld, dienen immers steeds alle partijen in de volgende instantie in het geding te worden betrokken. Aan het hiermee aanvaarde stelsel dient de voorkeur te worden gegeven boven juist genoemde regel, nu toepassing van die regel niet steeds uitsluitend in het voordeel van de niet in de volgende instantie betrokken partij kan werken, maar soms ook in haar nadeel, en het (dan ook) wenselijk is dat die partij steeds mede in die instantie wordt betrokken, zodat zij zich daarin, desgewenst, kan uitlaten en zelf voor haar rechten kan opkomen, hetgeen strookt met het mede in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het recht op hoor en wederhoor.”

‘Rechterlijk overgangsrecht’ voor oude gevallen

Vermeldenswaard is tot slot dat de Hoge Raad hierbij in ‘rechterlijk overgangsrecht’ voorziet: omdat de praktijk nog is ingesteld op de regel uit het arrest uit 1952 blijft die regel van toepassing met betrekking tot uitspraken die zijn gedaan in zaken waarin niet via art. 118 Rv herstel heeft plaatsgevonden van het verzuim om alle betrokken partijen in het geding te roepen, en waarin dat herstel na het uitspreken van dit arrest niet meer mogelijk is, ook niet door aanwending van een rechtsmiddel.

email print