Cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Uitzondering in art. 3:37 lid 3 BW vereist niet dat aangesprokene zelf adres heeft aangewezen

CB 2013-112 Geplaatst op 20 juni 2013 door

HR 14 juni 2013, LJN BZ4104 (Centavos/X)

Het feit dat een partij de postbus waarheen aan hem gerichte brieven zijn verstuurd niet zelf heeft aangewezen als het adres waarop hij bereikbaar is, brengt niet mee dat de uitzondering van art. 3:37 lid 3, tweede zin BW niet van toepassing is. De eis dat de postbus door de ontvangende partij moet zijn aangewezen als adres waarop hij bereikbaar is berust niet op de wet.

Verweerster, een stichting, was eigenaar van een aantal onroerende zaken. Sommige van deze onroerende zaken heeft zij verkocht aan Centavos. Ook is tussen partijen een aanvullende overeenkomst gesloten, inhoudende dat verweerster een recht van terugkoop heeft van al het verkochte, voor de duur van twaalf maanden. Korte tijd later heeft verweerster een huurovereenkomst gesloten met Centavos met betrekking tot enkele panden. Anderhalf jaar later is tussen verweerster en Centavos een aanvullende overeenkomst gesloten met betrekking tot de eerdere koop- en huurovereenkomsten. Daarin wordt onder meer het recht van terugkoop verlengd. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt onder meer dat, indien verweerster niet tijdig de huurpenningen betaalt, Centavos met een tussenpoos van twee weken een aanmaning mag sturen en dat, indien Centavos op grond van het vorenstaande in totaal drie maal een aanmaning heeft moeten sturen, het eerder genoemde terugkooprecht zal vervallen.

Centavos heeft de stichting in verband aangemaand wegens niet-betaling van de huur. Verschillende aangetekende brieven kwamen echter retour met de aantekening “niet afgehaald” of “postbus opgeheven”. Centavos heeft verweerster per brief medegedeeld dat (onder meer) het recht van terugkoop is vervallen.

Rechtbank en hof

Verweerster heeft een verklaring voor recht gevorderd dat het recht van terugkoop niet is vervallen, met veroordeling van Centavos om mee te werken aan het effectueren van het terugkooprecht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat slechts één van de drie aanmaningen haar heeft bereikt. De andere aanmaningen hebben haar niet bereikt omdat de postbus tijdelijk en buiten haar schuld door TPG was geblokkeerd en dus buiten gebruik was.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen, omdat sprake is geweest van drie aanmaningen en daarmee de voorwaarde voor het vervallen van het terugkooprecht is vervuld. Het hof oordeelde dat geen sprake is geweest van drie aanmaningen die verweerster hebben bereikt, zodat de vorderingen van verweerster toewijsbaar zijn. Het hof heeft vooropgesteld dat Centavos gelegenheid heeft gekregen duidelijk te maken wat het formele adres of het uit het Handelsregister blijkende correspondentieadres van verweerster was, maar dat Centavos geen relevante informatie heeft verstrekt. Het hof overwoog voorts:

“Voordat het hof kan toekomen aan de vraag of het voor rekening van [verweerster] komt dat andere aan de postbus gerichte aangetekende brieven haar niet hebben bereikt (te weten de niet afgehaalde brief van 8 april 2003 en de wegens opheffing postbus geretourneerde brief van 23 april 2003), dient de vraag te worden beantwoord of dit postbusadres het adres was waarop Centavos de geadresseerde kon en mocht bereiken.
(…)
In het tussenarrest van 12 juli 2011 is overwogen dat het beroep op de uitzondering in art. 3:37 lid 3 BW Centavos niet kan baten, nu zij niet tevens heeft gesteld dat de Stichting haar dit postbusadres heeft aangewezen als adres waarop zij bereikbaar is, en dat postbusadres evenmin uit gegevens van het Handelsregister blijkt.
Bij akte heeft Centavos nog een aantal aanvullende producties overgelegd, doch zij heeft het hof niet gewezen op enig stuk waarin de Stichting haar, voor april 2003, het postbusadres heeft verstrekt als adres waarop de Stichting voor Centavos bereikbaar zou zijn. Het hof blijft dan ook bij het oordeel dat er geen plaats is voor het voor risico van de Stichting brengen dat de twee in deze overweging genoemde aangetekende brieven haar niet hebben bereikt.”

Cassatie

In cassatie klaagt Centavos dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor het bepalen van het adres waaraan schriftelijke mededelingen in de zin van art. 3:37 BW kunnen worden gedaan. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de geadresseerde dat adres moet hebben aangewezen als adres waarop de geadresseerde bereikbaar is.

De Hoge Raad begint met de volgende vooropstelling:

“Art. 3:37 lid 3 BW houdt, voor zover thans van belang, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art. 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt.”

De vraag is of de door Centavos verzonden aangetekende brieven verweerster hebben bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3, eerste zin, BW. De Hoge Raad gaat niet mee in het oordeel van het hof dat de uitzondering van art. 3:37 lid 3, tweede zin, BW, in casu niet van toepassing is omdat deze postbus niet door verweerster aan Centavos is aangewezen als adres waarop zij bereikbaar is en dit adres evenmin uit het Handelsregister blijkt. De Hoge Raad overweegt:

“Het onderdeel voert terecht aan dat de door het hof gestelde eis dat de postbus door [verweerster] moet zijn aangewezen als adres waarop zij bereikbaar is, niet op de wet berust. Dit brengt mee dat de bestreden arresten niet in stand kunnen blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.”

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof Leeuwarden en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam.

Verweerster in cassatie is bijgestaan door Sikke Kingma en Annike Dwars en in feitelijke instanties door Arco Blankestijn.

email print