HR 5 oktober 2012, LJN BW9239

Art. 3 lid 1 Wte 1995, het verbod op aanbieding van effecten zonder vergunning, richtte zich niet tot personen die bemiddelen. Art. 7 lid 1 Wte 1995, dat effectenbemiddeling zonder vergunning verbood, ziet op verschillende activiteiten, die niet zonder meer direct contact tussen dader en benadeelde vereisen. Verder: of de echtgenoot die geen schuldeiser is, een vordering die valt in de gemeenschap van goederen kan innen, hangt af van de bestuursbevoegdheid terzake.

Eisers A, B, C en D zijn opgelicht door Van den B., de man achter het hier op Cassatieblog besproken Ponzi scheme. A en B zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben samen  € 200.000 aan Van den B. geleend tegen een hoge rente. C en D hebben dat ieder voor zich gedaan. Van den B. zou die rentes betalen uit beleggingen, maar in werkelijkheid betaalde Van den B. met het geld van de leningen de rentes op eerder aangegane leningen. De leningen, die volgens het hof effecten zijn in de zin van de destijds geldende Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) werden aangeprezen door H., die ook de betalingen aan Van den B. regelde. Toen het bedrog uitkwam en Van den B. failleerde, hebben eisers H. aangesproken wegens onrechtmatige daad en schadevergoeding geëist ter hoogte van hun inleg. De verwijten zijn drieërlei: H. heeft (i) in strijd met art. 3 lid 1 Wte 1995 zonder verguning buiten een besloten kring bij uitgifte effecten aangeboden of door advertenties of documenten in het vooruitzicht gesteld, (ii) in strijd met art. 7 lid 1 Wte 1995 zonder vergunning diensten verricht als effectenbemiddelaar en (iii) in strijd gehandeld met zijn zorgplicht.

Het hof verwerpt de vorderingen van B, C en D, omdat zij nooit zelf met H. hebben gesproken over de activiteiten van Van den B. H heeft alleen met A gesproken en met de man van C, die de door H. verstrekte informatie weer doorgaf aan C en D. Daarom heeft H. niet onrechtmatig jegens B, C en D gehandeld, aldus het hof.

Volgens het hof heeft H. wel in strijd met art. 3 lid 1 Wte zonder vergunning effecten aan A aangeboden in een brochure waarin reclame werd gemaakt voor de leningen aan Van den B. H. wordt daarom veroordeeld de schade van A te vergoeden. Nu hadden A en B samen € 200.000 geleend aan Van den B. Omdat A en B in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en H. niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens B, is volgens het hof slechts sprake van een schade van € 100.000 van A, zodat H. ook maar opdraait voor de helft van de totale schade van A en B.

Gemeenschap van goederen: wie kan voor de schade opkomen?

De Hoge Raad laat in cassatie weinig heel van deze oordelen. Het feit dat A en B in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, en dat het uitgeleende geld van hen samen was, betekent dat A en B één vorderingsrecht op Van den B. hadden dat aan hen gezamenlijk toekwam, waarbij A en B ieder voor het geheel gerechtigd waren in het vermogen van de vennootschap. Voor de berekening van de schade van A moet dan ook worden uitgegaan van het geheel, € 200.000, wat niet anders wordt door de gemeenschap van goederen. De Hoge Raad vindt dit zo duidelijk dat hij de zaak zelf afdoet en H. alsnog tot betaling veroordeelt van het dubbele van het bedrag dat het hof had toegewezen.

Omdat H. daarmee is veroordeeld in de totale schade van A en B, na correctie voor “eigen schuld”, ontvangen rendement en fictieve wettelijke rente, heeft B bij haar klachten geen belang meer en wordt haar beroep verworpen. Wel legt de Hoge Raad uit dat, als met het hof ervan uit moet worden gegaan dat H. jegens B. niet onrechtmatig heeft gehandeld, B. de vordering niet kan instellen: ondanks dat de vordering in de gemeenschap valt, is zij dan niet zelf de schuldeiser, en ze is in beginsel ook niet bestuursbevoegd ter zake van deze vordering, die dan van de zijde van A in de gemeenschap is gevallen.

Art. 3 lid 1 Wte 1995: aanbieden van effecten zonder vergunning

De Hoge Raad merkt wel dat op dat de vordering van A niet op de grondslag van art. 3 lid 1 Wte had moeten toegewezen, aangezien niet bemiddelaar H. geldt als degene die de effecten had aangeboden, maar Van den B., die de gelden had geleend en daarvoor schuldbekentenissen had verstrekt. H. was in cassatie echter niet tegen de grondslag van art. 3 lid 1 Wte opgekomen, zodat de Hoge Raad daarvan moest uitgaan.

Art. 7 lid 1 Wte 1995: effectenbemiddeling zonder vergunning

De vorderingen van C en D zullen na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld. Art. 3 lid 1 Wte is dus geen geschikte grondslag voor hun vordering, maar, anders dan het hof had aangenomen, sluit de enkele omstandigheid dat C en D hebben besloten tot de geldleningen over te gaan op grond van de door H. aan de echtgenoot van C (en niet aan henzelf) verstrekte informatie, niet uit dat H. jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door overtreding van art. 7 lid 1 Wte, dan wel door schending van een jegens hen geldende zorgplicht. De Hoge Raad benadrukt nog de ruime reikwijdte van art. 7 lid 1 Wte:

“3.8.2 Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.12 – 3.32 vermelde gegevens over de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van de Wte 1995 (en eerdere en latere wetgeving op het gebied van het effectenrecht) en van de daarmee geïmplementeerde Richtlijn Beleggingsdiensten (Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993, betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten, PbEG L 141), kan worden afgeleid dat het daarin gehanteerde begrip effectenbemiddeling verschillende activiteiten kan omvatten; hoewel louter adviseren geen effectenbemiddeling is, omvat het begrip wel onder meer het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot effecten voor rekening van beleggers, het uitvoeren van dergelijke orders, het aanbrengen van cliënten (ook bij andere effectenbemiddelaars), alsmede het aanbieden van effecten (het ‘voortraject’) zonder dat daadwerkelijk een transactie tot stand komt. Van belang is voorts dat art. 7 lid 1 Wte 1995, dat verbiedt zonder vergunning als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten, een ruime strekking heeft en beoogt bescherming te bieden aan een ieder die met betrekking tot effecten transacties aangaat waardoor hij met betrekking tot die effecten beleggersbelang krijgt (vgl. HR 30 mei 2008, LJN BD2820, NJ 2010/622, rov. 5.4).”

Eisers tot cassatie – de vier benadeelden – zijn in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This