HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:846
Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt geweigerd, als de schuldenaar bij het ontstaan en betalen van zijn schulden niet te goeder trouw was (art. 288 lid 1 sub b Fw). Blijkt later dat die goede trouw ten tijde van de indiening van het verzoek ontbrak, dan kan de schuldsaneringsregeling tussentijds worden beëindigd (art. 350 lid 3 sub f Fw). Het verwijzingshof heeft het tussentijdse beëindigingsverzoek van de schuldeiser afgewezen, omdat de saniet ten tijde van de indiening van haar toelatingsverzoek te goeder trouw was. De Hoge Raad verwerpt de motiveringsklachten gericht tegen dat oordeel.
Achtergrond
Dit arrest is het vervolg op HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:753. De achtergrond van de zaak is als volgt.
De saniet, verweerster in cassatie, heeft samen met haar echtgenoot geïnvesteerd in een vastgoedportefeuille. Ter gedeeltelijke financiering daarvan heeft de echtgenoot een lening afgesloten.
De saniet en haar echtgenoot waren eerst getrouwd in gemeenschap van goederen, maar zijn later huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Tot die voorwaarden behoorde een zogenaamde Dozy-clausule. Die houdt in dat ieder van de echtgenoten zich ten behoeve van de schuldeisers hoofdelijk aansprakelijk stelt voor alle schulden die op de huwelijksgemeenschap konden worden verhaald. De saniet en haar echtgenoot hebben de tot de gemeenschap behorende goederen verdeeld.
De schuldeiser, eiseres tot cassatie, is de rechtsopvolger van de partij die een lening heeft verstrekt aan de echtgenoot. De schuldeiser heeft de saniet aangesproken om een groot deel van het door haar (inmiddels failliet verklaarde) echtgenoot geleende bedrag terug te betalen. Na een lange procedure (hierna: de bodemprocedure) is de vordering van de schuldeiser toegewezen.
Kort daarna is de saniet een procedure gestart om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de toelatingsprocedure). De rechtbank heeft het toelatingsverzoek toegewezen.
In de onderhavige procedure verzoekt de schuldeiser de schuldsaneringsregeling van de saniet tussentijds te beëindigen, omdat de saniet niet te goeder trouw was toen zij verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Rechtbank en hof hebben het beëindigingsverzoek afgewezen. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd, onder meer omdat het hof niet had gerespondeerd op essentiële stellingen van de schuldeiser. Na cassatie en verwijzing is het beëindigingsverzoek andermaal afgewezen. De schuldeiser heeft opnieuw cassatieberoep ingesteld, maar dit keer zonder succes.
Juridisch kader
Toelating tot de Wsnp
Art. 288 lid 1 Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating tot de Wsnp slechts wordt toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar:
- niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
- ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en
- de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw-toets is mede geïntroduceerd om misbruik van de Wsnp te voorkomen, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bij inwerkingtreding van de Wsnp betrof de goede trouw-toets een facultatieve weigeringsgrond. Inmiddels is het een imperatieve weigeringsgrond. Bij dezelfde wetswijziging is de goede trouw-toets in tijd beperkt. De terugkijktermijn is thans drie jaar.
De goede trouw-toets is een gedragsmaatstaf om te kunnen beoordelen of de schuldenaar zijn verplichtingen uit de Wsnp zal nakomen. Bij die beoordeling kan de rechter alle relevante omstandigheden betrekken.
Art. 285 lid 1 Fw bepaalt welke gegevens in het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moeten worden opgenomen. De schuldenaar dient ervoor te zorgen dat die informatie juist en volledig is. Is dat niet het geval, dan kan dat leiden tot het oordeel dat goede trouw ontbreekt.
Tussentijdse beëindiging van de Wsnp
Art. 350 lid 3 Fw bevat zeven limitatief geformuleerde gronden waarop de schuldsaneringsregeling tussentijds kan worden beëindigd. Op grond van sub f van dit artikel is tussentijdse beëindiging mogelijk als:
“feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid (…).”
Deze beëindigingsgrond verwijst dus onder meer naar de goede trouw-toets.
Zie voor het toepasselijk kader uitgebreider § 4.1 t/m 4.15 van de conclusie van A-G de Bock voor het eerste arrest van de Hoge Raad in deze zaak.
In cassatie
De klachten van de schuldeiser tegen het arrest van het verwijzingshof worden verworpen.
In de eerste plaats bestrijdt de schuldeiser het oordeel van het hof dat de saniet in de bodemprocedure enerzijds en de toelatingsprocedure anderzijds géén tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen. De schuldeiser klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, gelet op zijn stelling dat de saniet in de bodemprocedure heeft aangevoerd dat de bij de omzetting aan haar toegekende vermogensbestanddelen waardeloos waren, terwijl de saniet in de toelatingsprocedure heeft aangevoerd dat haar echtgenoot een vordering op haar heeft uit hoofde van overbedeling.
De Hoge Raad overweegt dat het hof de notariële vastlegging van de verdeling bepalend heeft geacht voor de vordering uit overbedeling. Het hof kon de waarde van die vordering daarbij in het midden laten, omdat het gaat om de vraag of de saniet te goeder trouw was toen zij het bestaan van de overbedelingsvordering vermeldde in de toelatingsprocedure. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de saniet die vordering mocht vermelden, omdat deze bij de verdeling notarieel was vastgelegd en formeel nog steeds bestond. Eventuele latere inzichten over de werkelijke waarde van die vordering doen daar niet aan af. Die inzichten maken nog niet dat de saniet die vordering niet hoefde te voldoen. Daarop stuiten de klachten af.
Ten tweede klaagt de schuldeiser dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan zijn stelling dat de saniet een onjuiste mededeling heeft gedaan over het inkomen van haar echtgenoot. Hoewel het hof daar inderdaad niet op is ingegaan, kan het onderdeel vanwege gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
De Hoge Raad overweegt dat uit het verzoekschrift en de mondelinge behandeling in de toelatingsprocedure is gebleken dat de echtgenoot activiteiten had waaruit inkomsten konden voortvloeien. De rechtbank was daarvan op de hoogte. Uit het dossier blijkt niet dat de saniet inkomsten van de echtgenoot heeft verzwegen. Op grond van de stukken van het geding is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de stellingen van de schuldeiser op dit punt niet tot het oordeel kunnen leiden dat de saniet niet te goeder trouw is geweest, aldus de Hoge Raad.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dat is niet in lijn met de conclusie van A-G de Bock. Zij meende dat een deel van de klachten over de tegenstrijdigheid van de stellingen van de saniet en over de onjuiste mededeling over het inkomen van de echtgenoot wél slaagden.