HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649

In deze uitspraak beantwoordt de Hoge Raad de vragen van de rechtbank Overijssel over de arbeidsverhouding van een werknemer van een vof (in faillissement). Als een vof een arbeidsovereenkomst met een werknemer sluit, dan geldt dat als een arbeidsovereenkomst met de gezamenlijke vennoten. Een werknemer van een vof (of na subrogatie: het UWV) kan de uit de arbeidsovereenkomst voortspruitende vorderingen geldend maken tegen zowel de gezamenlijke vennoten als voor het geheel tegen elke afzonderlijke vennoot. De wettelijke voorrechten die met die vorderingen verbonden zijn, gelden ook bij uitoefening van verhaal op het privévermogen van de vennoten. Art. 40 lid 2 Fw brengt ten slotte mee dat aan een vordering als bedoeld in die bepaling (boedelschuld ter zake van loon of premieschulden), tevens het karakter van boedelschuld toekomt in het faillissement respectievelijk de schuldsaneringsregeling van een vennoot, maar slechts voor zover die vordering betrekking heeft op de periode na het ingaan van laatstbedoeld faillissement of schuldsaneringsregeling.

Deze prejudiciële procedure draait onder meer om de vraag of een arbeidsovereenkomst met een vof dient te worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst met de gezamenlijke vennoten en zo ja, of aan de met de arbeidsovereenkomst samenhangende preferente vorderingen en boedelvorderingen die door het UWV zijn ingediend in het faillissement van een vof met dezelfde rang en status kunnen worden geldend gemaakt in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van de vennoten van de vof.

Uitgangspunten

De Hoge Raad vangt aan met het vooropstellen van een aantal uitgangspunten, die hierna samengevat worden weergegeven.

In de eerste plaats overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.4.1 dat aan de vof naar geldend recht geen rechtspersoonlijkheid toekomt. Wet en rechtspraak kennen niettemin tot op zekere hoogte in het rechtsverkeer aan de vof een zelfstandige positie toe ten opzichte van de afzonderlijke vennoten. Zo kan een vof op eigen naam in rechte optreden (art. 51 lid 2 Rv) en kan zij op eigen naam failliet verklaard worden (art. 4 lid 3 Fw). Verder is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het voor het bedrijf van de vof bestemde vermogen van de vennoten afgescheiden van hun privévermogens. Op dit afgescheiden vermogen kunnen schulden, aangegaan in het kader van het door de vof uitgeoefende bedrijf, worden verhaald. Het faillissement van de vof ziet op de vereffening en verdeling van het afgescheiden vermogen en brengt niet steeds en zonder meer het faillissement mee van de vennoten (r.o. 3.4.1 met verwijzing naar een aantal arresten).

In de tweede plaats overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 dat wanneer een vennoot handelt in naam van de vof (op grond van art. 17 WvK is hij daartoe bevoegd), handelt hij namens de gezamenlijke vennoten en bindt hij de gezamenlijke vennoten. Een overeenkomst ‘met de vof’ moet dan ook worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten (vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5569, rov. 3.8).

In de derde plaats overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.4.3 dat art. 18 WvK meebrengt dat iedere vennoot voor het geheel aansprakelijk is ter zake van de verbintenissen van de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten. Art. 18 WvK vormt aldus een uitzondering op het in art. 6:6 lid 1 BW neergelegde uitgangspunt dat indien een prestatie door twee of meer schuldenaren is verschuldigd, zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn.

In de vierde plaats overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.4.4 dat een schuldeiser van de gezamenlijke vennoten zijn vordering zowel geldend kan maken tegen de gezamenlijke vennoten (tegen de vof), als tegen iedere vennoot afzonderlijk. Tegen eerstgenoemde vordering kan een vennoot niet de aan hem persoonlijk toekomende verweermiddelen aanvoeren, tegen laatstgenoemde wel.

Beantwoording van de vragen

Vragen (i) en (iv): wie is de werkgever?

De vragen (i) en (iv), zoals in het arrest weergegeven in r.o. 3.3, stellen aan de orde wat de rechtsgevolgen zijn van het sluiten van een arbeidsovereenkomst door een vof: hebben de individuele vennoten elk afzonderlijk als werkgever te gelden, en zo ja, is naast hen de vof zelf als afzonderlijk werkgever aan te merken?

In het verlengde van de uitgangspunten die de Hoge Raad in r.o. 3.4.1 heeft vooropgesteld, overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.5.2 dat een arbeidsovereenkomst ‘met een vof’ dient te worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst met de gezamenlijke vennoten. De gezamenlijke vennoten zijn dus als werkgever in de zin van titel 7.10 BW partij bij de arbeidsovereenkomst. In de woorden van A-G Rank-Berenschot geldt het adagium: “de vof – dat zijn de gezamenlijke vennoten”. De vennoten zijn dus gezamenlijk partij bij de overeenkomst, maar niet afzonderlijk. Het antwoord op vraag (i) luidt daarom ontkennend. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat aan de vof geen rechtspersoonlijkheid toekomt en dat de vof derhalve niet als zelfstandig werkgever kan worden beschouwd. Het antwoord op vraag (iv) luidt daarom ook ontkennend. Voorts overweegt de Hoge Raad dat de werknemer ‘van de vof’ zijn uit de arbeidsovereenkomst voortspruitende vorderingen geldend maken zowel jegens de gezamenlijke vennoten, met de mogelijkheid van verhaal op het afgescheiden vermogen van de vof, als voor het geheel jegens elke afzonderlijke vennoot, met de mogelijkheid van verhaal op het privévermogen van die vennoot.

Vraag (ii): bevoorrechte vordering jegens vennoot in privé?

(De Hoge Raad beantwoordt – ondanks zijn ontkennende antwoord op vraag (i) – vraag (ii) die was voorgesteld voor het geval het antwoord op vraag (i) bevestigend zou luiden. Deze kleine systematisch omissie maakt echter weinig verschil, nu vraag (iii) identiek is aan vraag (ii), maar was voorgesteld voor het geval het antwoord op vraag (i) bevestigend zou luiden).

Vraag (ii) stelt aan de orde of een aantal wettelijke voorrechten, die zijn verbonden aan een met de arbeidsovereenkomst samenhangende vordering op de vof ook gelden in de schuldsaneringsregeling van een afzonderlijke vennoot. De vordering van de werknemer is op grond van art. 3:288 aanhef en onder e BW bevoorrecht op alle goederen van de schuldenaar. Datzelfde geldt voor het UWV wanneer het gesubrogeerd wordt in die vordering op de voet van art. 66 lid 1 WW.

Volgens de Hoge Raad bestaat er, tegen de achtergrond van de eerdere overwegingen in r.o. 3.4.1-3.5.2, geen aanleiding om bij de beantwoording van de vraag of een werknemer ‘van de vof’ een aan zijn vordering verbonden voorrecht geldend kan maken, onderscheid te maken tussen het geval waarin hij de vordering instelt jegens de gezamenlijke vennoten en dat waarin hij de vordering instelt jegens een individuele vennoot (r.o. 3.6.2). De verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst rusten immers op de gezamenlijke vennoten en daarmee op iedere vennoot afzonderlijk. Dat aan de vof in het rechtsverkeer een zekere mate van zelfstandigheid ten opzichte van de afzonderlijke vennoten toekomt, maakt dit niet anders. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat het wettelijke voorrecht van werknemers betrekking heeft op het gehele vermogen van de schuldenaar (art. 3:276 BW) en strekt ter bescherming van de werknemers. Werknemers zouden in die andere opvatting jegens een afzonderlijke vennoot immers slechts beschikken over een concurrente vordering, aldus de Hoge Raad.

Vraag (ii) boedelvordering art. 40 lid 2 Fw van de vof tevens boedelvordering in de schuldsaneringsregelingen van de vennoten?

Vraag II stelt daarnaast nog aan de orde of met de arbeidsovereenkomst samenhangende boedelvorderingen van de werknemer van een vof eveneens boedelvorderingen in de wettelijke schuldsaneringsregelingen van de vennoten zijn.

Bij de beantwoording van deze vraag is aldus de Hoge Raad het volgende van belang (r.o. 3.7). Vanaf de dag van de faillietverklaring zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld (art. 40 lid 2 Fw). Art. 40 lid 2 Fw knoopt voor het karakter van boedelschuld aan bij de dag van de faillietverklaring. Het faillissement van een vof heeft betrekking op het afgescheiden vermogen van de vof en is te onderscheiden van de faillissementen of de schuldsaneringsregelingen van haar vennoten (de Hoge Raad verwijst naar r.o. 3.4.1). Die onderscheiden faillissementen dan wel schuldsaneringsregelingen gaan dan ook niet noodzakelijkerwijs op hetzelfde moment in.

In het licht hiervan, en van hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.5 en in 3.5.2 over het rechtskarakter van de vof is overwogen, oordeelt de Hoge Raad dat art. 40 lid 2 Fw meebrengt dat aan een vordering als bedoeld in die bepaling, die in het faillissement van de vof een boedelschuld oplevert, tevens het karakter van boedelschuld toekomt in het faillissement respectievelijk de schuldsaneringsregeling van een vennoot, maar slechts voor zover die vordering betrekking heeft op de periode na het ingaan van laatstbedoeld faillissement of schuldsaneringsregeling.

Vraag (v) aanmelding vordering door UWV in faillissement

Met vraag (v) wenste de rechtbank te vernemen of het bij de beantwoording van (een van) bovenstaande vragen uitmaakte of UWV haar vordering in het faillissement van de vof heeft aangemeld, en daarop al dan niet een (gedeeltelijke) uitkering heeft of zal ontvangen. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend, zo overweegt de Hoge Raad ten slotte in r.o. 3.9.

Share This