HR 1 februari 2019 ECLI:NL:HR:2019:147

Indien bij de rechter twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Bopz is voldaan, dient hij ofwel het verzoek van de officier van justitie af te wijzen ofwel nader onderzoek te laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen. 

Betrokkene was gedetineerd op het moment dat de officier van justitie een verzoek om een voorlopige machtiging indiende om betrokkene op te nemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de advocaat van betrokkene verzocht om een second opinion.

De rechtbank vond de onderbouwing van de conclusie dat bij betrokkene sprake was van een stoornis van de geestvermogens aan de magere kant, maar oordeelde dat al met al met het oog op de beslissing voor verlening van een machtiging voor een eerste periode van twee maanden voldoende was gebleken dat betrokkene is gestoord in zijn geestvermogens.

De rechtbank stelde de advocaat van betrokkene echter wel in de gelegenheid een second opinion te vragen (die uiterlijk op het einde van de detentieperiode beschikbaar zou moeten zijn). Die second opinion moest wat de rechtbank betrof antwoord geven op de vraag of betrokkene leed aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kon worden afgewend.

Deze uitspraak houdt geen stand. Het is van tweeën een: of iemand is gestoord in zijn geestvermogens als bedoel in de Wet Bopz en dan kan een machtiging worden verleend, of hij is het niet, en dat kan zij niet worden verleend, de Hoge Raad:

3.3.2 (..) Indien bij de rechter twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Bopz is voldaan, dient hij ofwel het verzoek van de officier van justitie af te wijzen ofwel nader onderzoek te laten verrichten alvorens de verzochte machtiging te verlenen.

3.3.3 In het onderhavige geval heeft de rechtbank overwogen dat de second opinion antwoord moet geven “op de vraag of betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend”. (..) Hieruit volgt dat bij de rechtbank twijfel bestond over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Bopz is voldaan. Onder die omstandigheden had zij de verzochte machtiging niet mogen verlenen, ook niet voor twee maanden.

Volgt vernietiging en terugverwijzing naar de rechtbank.

In zijn conclusie voor deze beschikking bespreekt plaatsvervangend Procureur-Generaal Langemeijer twijfel die niet onmiddellijk hoeft te leiden tot afwijzing, zoals onzekerheid over de precieze diagnose of over de aard van de te verlenen psychiatrische behandeling (onderdeel 2.3).

Share This