HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1282

De mondeling meegedeelde algemene beperking van het recht op toegang tot de binnentuin komt niet voor in de schriftelijk vastgelegde huisregels van het ziekenhuis; daarom kan deze beperking niet worden gelijkgesteld met een huisregel in de zin van art. 37 Wet Bopz.

Het juridisch kader

Uit art. 37 Wet Bopz volgt dat huisregels kunnen voorzien in een beperking van het recht op bewegingsvrijheid in en rond een ziekenhuis van (bepaalde categorieën) daarin verblijvende patiënten. In de voor deze zaak relevante periode kon een dergelijke algemene beperking uitsluitend worden gerechtvaardigd door de noodzaak van een ordelijke gang van zaken binnen het ziekenhuis.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wetten die op 1 januari 2010 de Wet Bopz zullen vervangen, is per 16 februari 2019 in art. 3 van het Besluit rechtspositieregelen Bopz als grond voor een algemene beperking toegevoegd: “en de veiligheid, passend bij de doelgroep” (Stb. 2019, 50).

Individuele beperkingen op het recht op bewegingsvrijheid – waarbij het, indien de huisregels voorzien in een regeling op dat punt, gaat om een beperking ten opzichte van die regeling – kunnen slechts berusten op de in art. 40 lid 3 Wet Bopz vermelde gronden, dan wel (indien zij een therapeutisch doel dienen) op het voor de betrokkene geldende behandelingsplan.

Relevante feiten

In deze zaak verbleef betrokkene in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis. Op zijn interne rechtspositie was de Wet Bopz van toepassing. Aan de bewoners van de afdeling waar hij verbleef was mondeling meegedeeld dat zij een uur per dag (in de weekeinden twee uur per dag) gebruik mochten maken van de binnentuin wanneer er toezicht was. Betrokkene beschikte over een zogenaamde tuinpas. Houders van een dergelijke pas mochten zich vrij in de binnentuin bewegen tussen 8.00 en 21.00 uur. In verband met bepaalde gedragingen was aan betrokkene twee achtereenvolgende keren een schriftelijke mededeling gedaan over beperking van zijn rechten op de voet van art. 40 Wet Bopz. In de eerste mededeling werd de tuinpas voor onbepaalde tijd ingetrokken, in de tweede werd gemeld dat hij de tuinpas niet terugkreeg. De klachtencommissie tot wie betrokkene zich had gewend had zich niet bevoegd geacht kennis te nemen van de klacht gericht tegen de intrekking van de tuinpas, omdat de klacht volgens haar in wezen zag op een weigering het recht op bewegingsvrijheid van betrokkene uit te breiden. De rechtbank had geoordeeld dat de intrekking van de tuinpas niet was aan te merken als een beperking van het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz. De rechtbank kwam in essentie tot dit oordeel omdat zij de mondelinge mededeling over de algemene toegankelijkheid van de binnentuin op één lijn had gesteld met een huisregel. Dit oordeel blijft in cassatie niet in stand.

Hoge Raad

De Hoge Raad verwijst om te beginnen naar zijn beschikking van 9 november 2018, besproken in CB 2018-179, waarin hij is ingegaan op vorm en betekenis van huisregels. Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of sprake is van een beperking als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz is nodig vast te stellen of sprake is van een beperking van het recht op bewegingsvrijheid ten opzichte van het recht op bewegingsvrijheid die de patiënten in het ziekenhuis, of de categorie van patiënten waartoe de betrokkene behoort, met inachtneming van de huisregels hebben. Bevatten de huisregels op dit punt geen regels, dan is “het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels” als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz onbeperkt en is elke individuele beperking van die vrijheid op de gronden genoemd onder a. en b. van die bepaling, een beperking in de zin van die bepaling. Voorzien de huisregels wel in een beperking van het recht op bewegingsvrijheid, dan gaat het erom of de individuele maatregel een beperking oplevert van het recht op bewegingsvrijheid zoals door de huisregels ingeperkt.

De Hoge Raad wijst er op dat de wetgever met de eis dat onder meer de huisregels in een schriftelijk overzicht worden opgenomen, beoogd heeft de rechtszekerheid voor de patiënt te vergroten. Het recht op bewegingsvrijheid is door een maatregel krachtens de Wet Bopz of de terbeschikkingstelling al vergaand beperkt, met het opleggen van verdere beperkingen moet daarom volgens de Hoge Raad uiterst terughoudend worden omgegaan. En deze zaak laat zien hoe belangrijk duidelijkheid op dit punt is:

“3.2.3 (..)

Daaruit vloeit ook voort dat de betrokkene er aanspraak op heeft precies te weten welke rechten en verplichtingen voor hem gelden. Daarmee valt niet te verenigen dat een algemeen (of voor een bepaalde categorie patiënten) geldende regeling van rechten, niet in een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 37 lid 1 Wet Bopz wordt vastgelegd, maar slechts mondeling aan de betrokken patiënten wordt meegedeeld. Dan kan immers snel onzekerheid ontstaan over het bestaan, de precieze inhoud en het toepassingsgebied van die regeling, en daarmee ook over de vraag of een aan een betrokkene opgelegde individuele beperking moet worden gezien als een beperking in een voordien onbeperkt recht, dan wel in een al door de huisregels beperkt recht. Aldus zou, zoals deze zaak illustreert, ook onzekerheid kunnen ontstaan over de vraag of sprake is van een beperking als bedoeld in art. 40 leden 2-4 Wet Bopz en over de vraag of en op welke grond daarover op de voet van art. 41 Wet Bopz kan worden geklaagd.”

De conclusie is dat het recht op bewegingsvrijheid van patiënten op de desbetreffende afdeling onbeperkt was, omdat de beperking tot een of twee uur per dag niet schriftelijk was vastgelegd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld was de intrekking van de tuinpas dus wel aan te merken als een beperking op het recht van bewegingsvrijheid van betrokkene (en niet als een beperking van een eerder verleend individueel privilege).

Volgt vernietiging en terugverwijzing.

Share This