HR 14 juni 2019 ECLI:NL:HR:2019:957

De geneeskundige verklaring (art. 16 Wet Bopz) moet door de geneesheer-directeur ondertekend worden. Dit kan door middel van een geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening. De rechtbank hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of een handgeschreven of elektronische handtekening daadwerkelijk door de geneesheer-directeur zelf is gezet.

De feiten

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene was opgenomen. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld en de verzochte machtiging verleend.

Cassatie

In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank de geneeskundige verklaring ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken nu deze verklaring elektronisch is ondertekend en daarmee niet zou voldoen aan de op de grond van art. 16 Wet Bopz te stellen eisen.  Volgens vaste rechtspraak moet aan de geneeskundige verklaring de eis worden gesteld dat zij door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend, zodat blijkt van zijn instemming met en aanvaarding van zijn verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring.

Op welke wijze een geneesheer-directeur de geneeskundige verklaring kan ondertekenen is niet geregeld in de Wet Bopz. De Wet Bopz voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor een geneesheer-directeur om de geneeskundige verklaring elektronisch te ondertekenen maar sluit deze mogelijkheid evenmin nadrukkelijk uit. De Hoge Raad overweegt dat  art. 3:15a BW bepaalt onder welke omstandigheden een elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening.

De Hoge Raad bespreekt het onderscheid dat in art. 3:15a BW, in navolging van de Europese eIDAS-verordening, wordt gemaakt tussen een gekwalificeerde elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening en een andere elektronische handtekening. Het doel waarvoor een geneeskundige verklaring in een procedure op grond van art. 16 lid 1 Wet Bopz wordt gebruikt, brengt mee dat een elektronische handtekening onder een geneeskundige verklaring een geavanceerde of een gekwalificeerde elektronische handtekening moet zijn als bedoeld in art. 3:15a BW.

De Hoge Raad oordeelt dat voor de toepassing van art. 16 lid 1 Wet Bopz een geavanceerde en gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen hebben als een handgeschreven handtekening.

De rechtbank hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of de handtekening op de geneeskundige verklaring door de geneesheer-directeur zelf is geplaatst maar alleen indien er een daarop gericht verweer is gevoerd. Dit geldt zowel voor een handgeschreven handtekening als bij een elektronische handtekening. Indien het een elektronische handtekening betreft en onderzoek uitwijst dat het niet gaat om een geavanceerde of gekwalificeerde handtekening staat het de rechter vrij de geneeskundige verklaring niettemin in aanmerking te nemen indien hij op andere wijze heeft kunnen vaststellen dat die verklaring door de geneesheer-directeur zelf is ondertekend.
In deze zaak is ten overstaan van de rechtbank geen verweer gevoerd over de wijze van ondertekening van de geneeskundige verklaring, zodat de klacht niet tot cassatie kan leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Share This