HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:187

De wet Bopz (art. 5 lid 1) schrijft voor dat de officier van justitie die een verzoek indient om iemand – kort gezegd – op medische gronden gedwongen te laten opnemen, bij zijn verzoek een geneeskundige verklaring over legt van een niet-behandelend psychiater die betrokkene kort tevoren heeft onderzocht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de psychiater de betrokkene persoonlijk te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Als de betrokkene niet meewerkt, moet de psychiater doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden (vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484).

Maar waar ligt de grens van wat redelijkerwijs van de beoordelend psychiater kan worden verwacht?

In deze zaak had de psychiater in de geneeskundige verklaring onder meer opgemerkt dat is besloten geen huisbezoek te doen, aangezien hierbij escalatie werd verwacht en politie-interventie nodig werd geacht. Dit risico vond men te groot. De psychiater had daarom besloten op grond van de aanwezige feiten en informatie een aanvraag om een rechterlijke machtiging te doen (via de officier van justitie), zonder dat zij de patiënt persoonlijk had onderzocht, omdat zij het gevaar reëel aanwezig vond en de feiten helder genoeg.

De rechtbank had geoordeeld dat voldoende was getracht om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. Zij had dat gemotiveerd door erop te wijzen dat betrokkene door de psychiater drie keer schriftelijk was uitgenodigd om op kantoor te verschijnen in verband met het te verrichten onderzoek, maar dat betrokkene geen gehoor had gegeven aan die uitnodigingen, alsmede dat onderzoek van betrokkene in de thuissituatie niet verantwoord was te achten, gelet op de verklaring van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige dat betrokkene hem “onlangs” bij een huisbezoek had aangevallen.

De Hoge Raad laat het oordeel van de rechtbank in stand. Hij wijst er op dat blijkens  de gedingstukken noch betrokkene noch zijn advocaat in feitelijke aanleg heeft betwist dat betrokkene de uitnodigingen van de psychiater heeft ontvangen en dat door hen geen verklaring is gegeven voor het feit dat betrokkene aan die uitnodigingen geen gehoor heeft gegeven. Voorts heeft betrokkene niet betwist dat zich een incident heeft voorgedaan toen de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige hem thuis bezocht.

Advocaat-Generaal Langemeijer heeft in zijn conclusie voor deze beschikking geconcludeerd tot vernietiging. Hij onderkent uiteraard dat over risico’s voor de persoonlijke veiligheid van de arts niet lichtvaardig mag worden gedacht, maar meent dat het om uiteenlopende redenen ongewenst is “dat enkel uit vrees voor mogelijke gedragingen van de patiënt op voorhand wordt afgezien van een persoonlijk contact en van een observatie van de betrokken patiënt door de rapporterende psychiater”. Hij stelt voor gevallen als deze een persoonlijk contact voor tussen de beoordelend psychiater en de betrokkene tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank (onderdeel 2.8 en 2.9 van zijn conclusie).

Share This