HR:24 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:814

Het is aan de onderzoekend psychiater om aan de hand van de over betrokkene bekende gegevens te beoordelen of het meebrengen of toelaten van beveiliging noodzakelijk is.
Het verlenen van een rechterlijke machtiging onder een opschortende voorwaarde van beëindiging van een strafrechtelijke maatregel is toelaatbaar in alle gevallen waarin de betrokkene op strafrechtelijke grondslag is gedetineerd. Uit het bepaalde in art. 10 lid 1 Wet Bopz volgt evenwel dat ook een machtiging waaraan zodanige voorwaarde is verbonden, niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen.

Achtergrond

Betrokkene was eind oktober 2018 aangehouden in verband met bedreiging tegen het leven/zware mishandeling en in voorlopige hechtenis genomen. De officier van justitie had op 23 november 2018 (gewijzigd op 3 december 2018) verzocht om verlening van een voorlopige machtiging tot het doen opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 4 februari 2019 onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd. De rechtbank heeft  conform dit verzoek beslist bij beschikking van 4 december 2018. Hiertegen richt zich het cassatieberoep.

In de beschikking van de Hoge Raad worden twee kwesties geadresseerd: de aanwezigheid van twee medewerkers van de penitentiaire inrichting (PIW’ers) tijdens het onderzoek door de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, en de verlening van een machtiging onder een opschortende voorwaarde.

Beveiliging tijdens het psychiatrisch onderzoek

De Hoge Raad wijst om te beginnen op de maatstaf in zijn eerdere rechtspraak die inhoudt dat de psychiater die de geneeskundige verklaring ten behoeve van het verzoek om een rechterlijke machtiging opstelt, moet doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het persoonlijk onderzoek, waarin hij betrokkene in een direct contact spreekt en observeert, te doen plaatsvinden. Deze maatstaf laat ruimte om rekening te houden met zorg voor de veiligheid van de psychiater en eventuele andere bij het onderzoek betrokken personen. Die zorg kan meebrengen dat de betrokkene niet thuis wordt onderzocht, of slechts met beveiliging. Indien de betrokkene gedetineerd is, kan ervoor worden gekozen een of meer PIW’ers bij het onderzoek aanwezig te laten zijn.

De aanwezigheid van beveiligers tijdens het onderzoek vormt een inbreuk op de privacy van betrokkene. De Hoge Raad overweegt dat de aanwezigheid van beveiligers bij het onderzoek daarnaast de verklaringen en het gedrag van de betrokkene kan beïnvloeden, wat gevolgen kan hebben voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. Om deze redenen dient het onderzoek alleen dan met beveiliging plaats te vinden indien daartoe uit veiligheidsoogpunt een noodzaak bestaat. Het is aan de onderzoekend psychiater om aan de hand van de over de betrokkene bekende gegevens te beoordelen of het meebrengen of toelaten van beveiliging noodzakelijk is. Als dat naar zijn of haar oordeel het geval is, is daarvoor niet de toestemming van de betrokkene nodig.

Hoe moet de rechtbank dit beoordelen? Indien de betrokkene zich in de daarop volgende procedure over de aanwezigheid van beveiliging bij het onderzoek beklaagt, dient de rechter, aldus de Hoge Raad, aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting te beoordelen of de psychiater voldoende grond had om de noodzaak tot beveiliging aanwezig te achten, en zijn oordeel daarover te motiveren. Dat geldt ook indien de betrokkene bij gelegenheid van het onderzoek geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van beveiliging.

In het concrete geval lag in het oordeel van de rechtbank volgens de Hoge Raad besloten dat de onderzoekende psychiater voldoende grond had om te menen dat de aanwezigheid van PIW’ers bij het onderzoek uit een oogpunt van veiligheid noodzakelijk was, en gelet op de inhoud van de stukken is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

Verhouding tot een strafrechtelijke maatregel

Art. 10 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de beschikking waarbij een voorlopige machtiging wordt afgegeven, bij voorraad uitvoerbaar is en dat de machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. Volgens de Hoge Raad blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de ratio van deze bepaling is dat niet kan worden uitgesloten dat na verloop van bedoelde termijn het gevaar op grond waarvan de voorlopige machtiging werd verleend, in gunstige zin blijkt te zijn gekeerd of dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat niet meer tot vrijheidsbeneming behoeft te worden overgegaan.

De Hoge Raad wijst op zijn beschikking uit 2003 over samenloop met een TBS-maatregel. In die uitspraak had de Hoge Raad overwogen dat moet worden voorkomen dat ten aanzien van dezelfde persoon tegelijkertijd zowel een strafrechtelijke maatregel als een maatregel op grond van de Wet Bopz van toepassing is. De Hoge Raad had in die zaak geoordeeld dat in zodanig geval een machtiging op grond van de Wet Bopz kan worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk wordt beëindigd. De Hoge Raad oordeelt in de beschikking in de onderhavige zaak dat een dergelijke opschortende voorwaarde toelaatbaar is in alle gevallen waarin de betrokkene ten aanzien van wie een Bopz-machtiging wordt verzocht, op strafrechtelijke grondslag is gedetineerd. Art. 10 Wet Bopz staat daaraan op zichzelf niet in de weg. Wel volgt uit het bepaalde in lid 1 en de daaraan ten grondslag liggende ratio dat ook een machtiging waaraan zodanige voorwaarde is verbonden, niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. De termijn van twee weken begint dus niet pas te lopen op het moment dat de detentie is geschorst of beëindigd.

In het concrete geval betekent dit dat de door de rechtbank aan de machtiging verbonden voorwaarde toelaatbaar is. Dat de machtiging niet meer ten uitvoer had kunnen worden gelegd indien de detentie van betrokkene niet uiterlijk op 18 december 2018 was geschorst of beëindigd, doet daaraan niet af.

Volgt verwerping van het beroep.

Share This