Selecteer een pagina

HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3329

De zogenaamde cautio Socini is een geldige rechtsfiguur, onverminderd de mogelijkheid voor een erfgenaam gebruik te maken van de hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheden (artikel 4:4 BW). Onder de vigeur van het oude erfrecht was dit niet anders (vgl. HR 25 oktober 1985, NJ 1986/308).

In de onderhavige zaak ging het om de reikwijdte van een in een onder het oude erfrecht opgemaakt testament opgenomen beding, waarin erflater heeft bepaald dat, indien een van zijn vier kinderen (die gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenaam zijn benoemd) “zich verzet tegen enige bepaling van het testament of tegen de uitvoering daarvan”, het erfdeel van dat kind wordt beperkt tot zijn wettelijk erfdeel en dat het ten gevolge hiervan vrijkomende deel van de nalatenschap zal toekomen aan zijn echtgenote (moeder van zijn vier kinderen) die voor dat deel tot erfgename wordt benoemd.

Het gaat hier om een ruim geformuleerde variant op de zgn. cautio Socini. Daaronder werd onder het oude erfrecht verstaan een beding met de inhoud dat de erflater aan een legitimaris meer dan zijn wettelijk erfdeel – de legitieme portie – naliet, echter bezwaard met een last of voorwaarde die op de gehele making rustte. Met deze clausule bewerkstelligde de erflater dat de erfgenaam die zijn legitieme inriep, werd onthouden hetgeen uitging boven zijn legitieme portie.

Het hof heeft geoordeeld dat de onderhavige cautio weliswaar rechtsgeldig is, maar dat art. 4:4 lid 1 BW meebrengt dat de erfgenaam daarmee niet de vrijheid wordt ontnomen een hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheid (zoals het indienen van een verzoek tot ontslag van de executeur of het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap) uit te oefenen, behoudens in die gevallen waarin de erfgenaam een dergelijke bevoegdheid uitoefent op een wijze die als misbruik van die bevoegdheid moet worden aangemerkt. Tegen die achtergrond is het hof tot de slotsom gekomen dat de verwijten die (onder meer) door de executeur-testamentair aan twee van de kinderen van erflater worden gemaakt niet kunnen leiden tot de slotsom dat verzet is gepleegd.

In cassatie werd dit oordeel bestreden door (onder meer) de executeur-testamentair die de desbetreffende clausule ten nadele van verweerders in cassatie had ingeroepen. Deze beriep zich daarbij op artikel 4.3.3.14b lid 1 van het Gewijzigd Ontwerp voor Boek 4 BW. In deze ontwerpbepaling, die uiteindelijk niet in boek 4 BW is opgenomen, was voor de cautio Socini een expliciete uitzondering gemaakt op de nietigheidsregel van art. 4:4 lid 1 BW. Deze uitzondering luidde: “Een erflater kan een uiterste wilsbeschikking ervan afhankelijk stellen, dat een legitimaris van een hem als zodanig toekomende bevoegdheid afstand doet.”  Volgens de Hoge Raad is het beroep op deze ontwerpbepaling tevergeefs:

“Blijkens de parlementaire geschiedenis had de wetgever daarbij uitsluitend het oog op de clausule waarbij de erflater een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van het al dan niet inroepen van zijn legitieme (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 12 en 13). De voorgestelde wetsbepaling zag dus niet op clausules als de onderhavige, waarin een sanctie wordt gesteld op verzet tegen enige bepaling van het testament of tegen de uitvoering daarvan. Voor zover bedoeld verzet berust op de uitoefening van erfrechtelijke bevoegdheden stuit het inroepen van de sanctie dan ook af op het bepaalde in art. 4:4 lid 1 BW. Ook het oordeel van het hof dat dit slechts anders is indien dergelijke bevoegdheden worden misbruikt, is juist.”

Volgens de Hoge Raad was dit niet anders onder het oude recht:

“Ook het op dat moment geldende art. 4:921 lid 2 (oud) BW – waarvan de inhoud overeenkwam met het tot 1 januari 1992 geldende art. 1370 lid 2 (oud) BW – leidde immers tot nietigheid van rechtshandelingen die de strekking hadden een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om zijn erfrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen (vgl. HR 25 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9070, NJ 1986/308, rov. 3.2).”

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van (onder meer) de executeur-testamentair.

Verweerders in cassatie werden bijgestaan door de auteur.

Share This