Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

december, 2018

Om tegenbewijs te mogen leveren hoeft een partij niet eerst het voorshands geleverde bewijs te ontkrachten

CB 2018-204 Geplaatst op 20 dec 2018 door

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320

Aan een algemeen aanbod om tegenbewijs te leveren door middel van getuigen mag de rechter niet ongemotiveerd voorbij gaan. Wanneer de rechter voorshands, behoudens tegenbewijs, bepaalde feiten als vaststaand aanneemt, hoeft een partij dit voorshands geleverde bewijs niet eerst te ontkrachten om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Lees verder >

Uitleg abstracte bankgarantie

CB 2018-203 Geplaatst op 20 dec 2018 door

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2297

Bij de uitleg van een strikte bankgarantie komt groot gewicht toe aan de (strikt te lezen) bewoordingen van de garantie. Lees verder >

Wanneer is zaak bestanddeel van een zaak?

CB 2018-202 Geplaatst op 20 dec 2018 door

HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2256

Op de voet van het bepaalde in art. 3:4 lid 1 BW is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Een aard- of nagelvaste verbinding is daarvoor niet vereist. Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Het hof heeft de hierboven weergegeven maatstaf toegepast, zijn oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Lees verder >

Beroep op Overbruggingsregeling transitievergoeding mogelijk na verstrijken vervaltermijn

CB 2018-201 Geplaatst op 20 dec 2018 door

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2305

De werkgever kan in een door de werknemer geëntameerde procedure waarin deze om toekenning van een transitievergoeding verzoekt, zich op de Overbruggingsregeling transitievergoeding beroepen, ook al is de vervaltermijn van drie maanden van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW verstreken. Dit geldt ongeacht of de werkgever zijn beroep op de overbruggingsregeling doet als een verweer tegen het verzoek van de werknemer of in de vorm van een zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv. Lees verder >

Jeugdzorg: beantwoording prejudiciële vragen over bevoegdheden in geval van ondertoezichtstelling

CB 2018-200 Geplaatst op 20 dec 2018 door

HR 14 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2321

In deze uitspraak beantwoordt de Hoge Raad vragen van de rechtbank Den Haag over de uitleg en onderlinge verhouding van de art. 1:263, 1:264, 1:265f en 1:265g BW, die zijn opgenomen in Afdeling 4, Ondertoezichtstelling van minderjarigen. De bepalingen van deze afdeling zijn gewijzigd bij de per 1 januari 2015 in werking getreden Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen. In dat kader geeft de Hoge Raad – zakelijk weergegeven – de volgende antwoorden. Lees verder >

Schorsingsincident in cassatie bij faillissement procespartij

CB 2018-199 Geplaatst op 14 dec 2018 door

HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2220 (De Vijf Musketiers/curatoren)

Art. 27 Fw biedt de wederpartij van een failliet zonder meer het recht schorsing van de procedure te vorderen om de curator in het geding te roepen. Een afweging van belangen in verband met een eventuele zekerheidsstelling voor de proceskosten komt pas aan de orde indien de curator zou beslissen de procedure niet over te nemen en de andere partij om ontslag van instantie verzoekt. Lees verder >

Verzuimperikelen

CB 2018-198 Geplaatst op 13 dec 2018 door

HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2255

De Hoge Raad zet het kader uiteen voor (i) het aanbod tot zuivering van het schuldenaarsverzuim, (ii) de weigering van het aanbod door de schuldeiser en de mogelijke gevolgen daarvan met betrekking tot het schuldeisersverzuim en (iii) de mogelijkheid tot ontbinding van de schuldenaar resp. de schuldeiser tijdens het schuldeisersverzuim.

Lees verder >

Merkenrecht ten onrechte buiten beschouwing gelaten in beoordeling domeinnaamgeschil

CB 2018-197 Geplaatst op 13 dec 2018 door

HR 30 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2221

1. Tot uitgangspunt dient dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registeren, alleen gedwongen kan worden de domeinnaam aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of hieruit voortvloeien dat registratie of gebruik van de domeinnaam jegens die ander onrechtmatig is, zoals wanneer daardoor inbreuk wordt gemaakt op een merkrecht van die ander (vergelijk: HR 11 december 2015, CB 2015-189 (Artiestenverloningen/Prae Artiestenverloning)).
2. Gelet op de stellingname van eisers heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat eisers in de onderhavige zaak het merkenrecht bij de beoordeling van hun vorderingen buiten beschouwing gelaten wilden hebben. Lees verder >

Hoge Raad bevestigt: thuiskopie-AMvB's verbindend

CB 2018-196 Geplaatst op 10 dec 2018 door

HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2254 (HP Nederland c.s. / Staat en Stichting De Thuiskopie)

De Hoge Raad bekrachtigt het oordeel van het hof Den Haag dat de thuiskopie-AMvB’s over de jaren 2013-2017 verbindend zijn. Onder meer de klachten over de toepasselijkheid van een ‘licentiemodel’ bij de bepaling van de billijke compensatie worden verworpen.

Lees verder >

Prejudiciële vraag: kan bank zich op stortingen na het peilmoment op de rekening-courant verhalen?

CB 2018-195 Geplaatst op 07 dec 2018 door

HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank)

In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal hoe een bank moet omgaan met stortingen op de rekening-courant in het zicht van faillissement van de rekeninghouder. De bank heeft (ook op grond van de algemene bankvoorwaarden) een openbaar pandrecht op al hetgeen de rekeninghouder van de bank te vorderen heeft. Binnen de rekening-courantverhouding wordt de bank door een betaling van een schuldenaar aan de rekeninghouder op zijn beurt schuldenaar van de rekeninghouder, maar kan de bank deze schuld verrekenen met wat hij van de rekeninghouder te vorderen heeft. De Hoge Raad beslist dat op deze verrekening art. 54 Fw van toepassing is, welk artikel onder omstandigheden aan verrekening in de weg staat. Als betalingen op de rekening binnenkomen na het peilmoment (het moment dat de bank niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw), mag de bank zich daarop niet verhalen, ook niet op grond van zijn pandrecht. Lees verder >

Pagina 1 van 212