Dossier: Prejudiciële vragen Hoge Raad


Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799

Ruben de Graaff bespreekt de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025 over de betekenis van het Kinderrechtenverdrag bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming van een woning waarin ook minderjarige kinderen wonen.

 

Cassatievlog #149 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Vindplaats: HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386

Werkgevers mogen de kosten van de Beroepsopleiding Advocaten niet verhalen op advocaat-stagiaires. De opleiding moet kosteloos worden aangeboden en een studiekostenbeding is niet rechtsgeldig. (meer…)

HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724

De mogelijkheid om in echtscheidingszaken een voorlopige of nevenvoorziening te krijgen, ziet niet op verzoeken om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarige kinderen.

De rechter kan wel een verzoek van de jongmeerderjarige tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie gelijktijdig behandelen met verzoeken die in de echtscheidingsprocedure tussen zijn ouders worden gedaan. De jongmeerderjarige kan een ouder ook machtigen tot het doen van een dergelijk verzoek. (meer…)

HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008

Inzet van deze zaak is of aanbieders van Buy Now, Pay Later-diensten (BNPL-diensten) vallen onder de reikwijdte van de Richtlijn Consumentenkrediet. Over deze vraag heeft de rechtbank Gelderland prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de door de rechtbank gestelde vragen deels zelf beantwoord, voor het overige heeft hij prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Na beantwoording van die vragen, beantwoordt de Hoge Raad in de hier besproken zaak de resterende vragen van de kantonrechter.

De Hoge Raad legt uit hoe door de rechter bepaald moet worden of een BNPL-dienst valt onder de regels voor het consumentenkrediet. Daarnaast beantwoordt de Hoge Raad vragen over het vereiste van ‘geruime tijd’ uit art. 7:60 lid 1 BW en over de mate waarin de rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever voldaan heeft aan de op hem rustende plicht een kredietwaardigheidstoets uit te voeren. (meer…)

Hoge Raad 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008

De Hoge Raad heeft een prejudiciële beslissing gewezen over het toepassingsbereik van de Richtlijn consumentenkrediet. Het was onder meer de vraag of vertragingsrente en incassokosten in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een kredietovereenkomst ‘zonder kosten of met onbetekenende kosten’ (art. 7:58 lid 2 sub e BW). In dit vlog bespreekt Hidde Volberda hoe de Hoge Raad die vraag beantwoordt.

Cassatievlog #137 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:723 

Er bestaat geen wettelijke grondslag voor het verstrekken door de gerechten van inzage in of afschrift van stukken uit het dossier van een afgesloten civiele familie- en jeugdprocedure. Dit is slechts anders voor zover het gaat om het verstrekken van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen (art. 29 lid 2 Rv) en om het verstrekken van inzage in en informatie over de door gerechten verwerkte persoonsgegevens (art. 15 AVG). Wel rust op de Staat ingevolge art. 8 EVRM een positieve verplichting om te voorzien in een effectieve en toegankelijke procedure waarmee de betrokkene ten aanzien van wie in het verleden kinderbeschermingsmaatregelen zijn getroffen, toegang kan verkrijgen tot alle relevante en passende informatie met betrekking tot die maatregelen om zijn kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Art. 7.3.10 Jeugdwet voorziet in beginsel in een dergelijke procedure, maar het is niet zeker dat de betrokkene langs die weg steeds alle relevante en passende informatie zal kunnen krijgen. Het gaat evenwel de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om te voorzien in een algemene oplossing voor dit mogelijke rechtstekort. (meer…)

Cassatieblog.nl