Vindplaats: HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386

Werkgevers mogen de kosten van de Beroepsopleiding Advocaten niet verhalen op advocaat-stagiaires. De opleiding moet kosteloos worden aangeboden en een studiekostenbeding is niet rechtsgeldig.

Achtergrond; prejudiciële vragen

Inzet van deze procedure is een zogeheten studiekostenbeding, ook wel scholings(kosten)beding genoemd, met betrekking tot de Beroepsopleiding Advocatuur (hierna: “BA”). Volgens het beding is werkneemster in deze zaak gehouden de door de werkgever betaalde studiekosten voor de BA terug te betalen, onder andere indien het dienstverband door de werkgever (tussentijds) rechtsgeldig is geëindigd wegens een dringende reden (art. 7:677 BW). Dat laatste is hier het geval, zo oordeelde de kantonrechter. De kantonrechter heeft echter het verzoek van de werkgever tot terugbetaling van de studiekosten afgewezen op de grond dat het studiekostenbeding nietig is. In hoger beroep twistten partijen alleen daarover nog; op andere onderdelen van het geschil (het ontslag op staande voet) hebben partijen een schikking bereikt.

Het hof heeft (na daartoe te zijn aangespoord door de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: “NOvA”)) aanleiding gezien om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad:

  1. Kan de Beroepsopleiding Advocatuur worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiaire, zodat de werkgever in beginsel op grond van art. 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen?
  2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, heeft dan te gelden dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW gehouden is om de Beroepsopleiding Advocatuur telkens kosteloos aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden, aan te bieden?
  3. Moeten de Advocatenwet en de Verordening op de Advocatuur(hierna: Voda), waarop de Beroepsopleiding Advocatuur is gegrond, zo worden uitgelegd dat deze een specifieke grondslag vormen als bedoeld in art. 7:611a lid 2 BW, op grond waarvan de werkgever verplicht is deze beroepsopleiding kosteloos aan zijn advocaat-stagiaires te verstrekken?

Het studiekostenbeding

Tot 1 augustus 2022 bevatte art. 7:611a BW ‘slechts’ de verplichting voor de werkgever om de werknemer in staat te stellen scholing te volgen die “noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie” en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst indien de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen. Dit artikel is aangepast, of beter gezegd: aangevuld, als gevolg van de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (hierna: “Richtlijn”). Art. 7:611a BW (oud) is toen ongewijzigd opgenomen in het eerste lid van het huidige art. 7:611a BW. Daarnaast zijn er vier leden toegevoegd.

Van bijzonder belang is art. 7:611a lid 2 BW, waarin is bepaald dat scholing die de werkgever op grond van Unierecht, nationaal recht of cao verplicht is te verstrekken, kosteloos moet worden aangeboden. Het vierde lid bepaalt dat een beding waarbij de kosten van scholing als bedoeld in lid 2 worden verhaald op of verrekend met geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking van de werknemer, nietig is. Een in lid 4 bedoeld beding is een studiekostenbeding: een beding inhoudende dat een werknemer onder omstandigheden aan zijn werkgever studiekosten moet vergoeden die zijn werkgever voor hem heeft gemaakt.

Nu in lid 4 alleen naar scholing als bedoeld in lid 2 wordt verwezen, zijn in de lagere rechtspraak en literatuur vragen gerezen over de verhouding tussen lid 1 en lid 2 van art. 7:611a BW. Ook is gediscussieerd over de vraag of beroepsopleidingen (steeds) onder art. 7:611a BW vallen. De Hoge Raad heeft nu knopen doorgehakt.

Is de BA noodzakelijk voor de uitoefening van de functie?

De eerste prejudiciële vraag stelt aan de orde of de BA kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie in de zin van art. 7:611a lid 1 BW. De Hoge Raad stelt voorop dat “duidelijk” is dat de BA noodzakelijk is, nu het volgen daarvan voor advocaat-stagiaires verplicht is. Verschillend kan echter worden gedacht over het antwoord op de vraag of de opleiding noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie, zo vervolgt de Hoge Raad. De Hoge Raad ziet aanknopingspunten voor zowel bevestigende als ontkennende beantwoording van deze vraag. Volgens de Hoge Raad verdient evenwel de voorkeur de opvatting dat de BA niet wordt beschouwd als een opleiding voor het werk, maar als een opleiding tijdens het werk (‘training on the job’). De Hoge Raad concludeert dat de BA moet worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiaire, zodat de werkgever op grond van art. 7:611a BW gehouden is de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen.

De verhouding tussen art. 7:611a leden 1 en 2 BW

Als gezegd, bestaat er discussie over de vraag hoe het eerste lid van art. 7:611a BW zich verhoudt tot het tweede lid van dit artikel. Daarop ziet de tweede prejudiciële vraag. De vraag houdt, kort samengevat, in of iedere opleiding die onder de scholingsverplichting van lid 1 valt op grond van lid 2 door de werkgever kosteloos moet worden aangeboden. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, staat art. 7:611a lid 4 BW eraan in de weg dat de kosten van een dergelijke opleiding met een studiekostenbeding voor rekening van de werknemer worden gebracht.

Ook bij deze vraag zijn er zowel aanknopingspunten voor bevestigende als voor ontkennende beantwoording. De Hoge Raad overweegt dat de tekst van art. 7:611a lid 2 BW en bepaalde (bij die tekst aansluitende) passages uit de wetsgeschiedenis pleiten voor ontkennende beantwoording van de vraag. Elders pleit de wetsgeschiedenis juist voor bevestigende beantwoording, aldus de Hoge Raad. Voor de Hoge Raad geeft de doorslag dat art. 7:611a BW moet worden uitgelegd in overeenstemming met de Richtlijn. Een uitleg van art. 7:611a BW waarin iedere opleiding die onder lid 1 valt op grond van lid 2 kosteloos moet worden aangeboden, bewerkstelligt dat de bepaling in overeenstemming is met (art. 13 van) de Richtlijn.

Hieraan doet naar het oordeel van de Hoge Raad niet af dat de verplichting van art. 13 van de Richtlijn volgens punt 37 van de considerans geen betrekking heeft op “beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie”. Deze uitzondering is volgens punt 37 namelijk niet van toepassing als een werkgever verplicht is de opleiding aan de werknemer aan te bieden op grond van het Unierecht en het nationale recht, en een dergelijke verplichting ligt dus naar Nederlands recht besloten in art. 7:611a lid 1 BW (zie hierboven), aldus de Hoge Raad.

Tot slot overweegt de Hoge Raad dat maatwerk in de vorm van afwijkende afspraken op grond van art. 7:611a lid 4 BW niet mogelijk is. De vraag of de kosten van de BA onder bijzondere omstandigheden voor rekening van een werknemer kunnen worden gebracht, bijvoorbeeld als op hem een (schade)vergoedingsplicht tegenover de werkgever is komen te rusten, is daarmee nog niet beantwoord. De Hoge Raad heeft zich echter over deze vraag niet uitgelaten, omdat die in deze zaak niet aan de orde is gesteld en zou kunnen nopen tot het stellen van prejudiciële vragen van uitleg over de Richtlijn aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A-G Drijber betoogde in zijn conclusie dat in uitzonderlijke gevallen de werkgever de betaalde scholings- c.q. studiekosten op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) al dan niet gedeeltelijk op de werknemer kan verhalen, bijvoorbeeld indien de werknemer (bewust) geen enkele inzet toont bij het volgen en behalen van die scholing. In een dergelijk geval berust de grondslag van het verhalen van kosten op de advocaat-stagiaire dus niet op een (eerder) overeengekomen studiekostenbeding, aldus de A-G.

Het antwoord op de tweede vraag luidt daarom dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW gehouden is om de BA kosteloos aan te bieden aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden. De kosten van een dergelijke opleiding kunnen dus niet met een studiekostenbeding voor rekening van de werknemer worden gebracht.

Bij deze stand van zaken behoeft de derde prejudiciële vraag geen beantwoording. Die vraag stelt aan de orde of de Advocatenwet en de Voda een specifieke grondslag vormen als bedoeld in art. 7:611a lid 2 BW op grond waarvan een werkgever verplicht is de BA kosteloos aan zijn advocaat-stagiaires te verstrekken. Uit het antwoord op de tweede vraag volgt echter dat art. 7:611a lid 1 BW een algemene grondslag biedt voor de verplichting van een werkgever om de BA kosteloos aan zijn advocaat-stagiaire te verstrekken, zodat bij beantwoording van de derde vraag geen belang bestaat.

Permanente opleiding

De NOvA heeft de Hoge Raad verzocht zich om redenen van doelmatigheid ten overvloede uit te laten over de vraag of de kosten in verband met door de Voda voorgeschreven opleidingspunten in de zin van art. 4.4 Voda voor rekening van de werknemer mogen komen. De Hoge Raad voldoet “voor de duidelijkheid” aan dit verzoek, omdat het antwoord op deze vraag in het voorgaande besloten ligt.

Uit de regeling van art. 4.4 Voda, waarin onder meer de verplichting is neergelegd dat een advocaat per kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten behaalt, leidt de Hoge Raad af dat het behalen van opleidingspunten noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van advocaat. Uit datgene wat de Hoge Raad heeft overwogen over de verhouding tussen de leden 1 en 2 van art. 7:611a BW (zie hierboven) volgt dat werkgevers de advocaten die bij hen in dienst zijn in staat moeten stellen de verplichte opleidingspunten te behalen en dat de kosten daarvan voor rekening van de werkgever komen. Afwijking hiervan is op grond van art. 7:611a lid 4 BW niet toegestaan.

Share This

Cassatieblog.nl