Dossier: Overheidsrecht


HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1243

 Deze zaak over een beweerde onvolledigheid van het juiste antwoord in het vwo-eindexamen Frans in 2017 heeft destijds de nodige media aandacht gekregen. Recentelijk heeft de Hoge Raad in deze zaak helderheid geschapen over de vraag welke rechter over die kwestie mag oordelen.

(meer…)

HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1223

De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse Staat in zeer beperkte mate aansprakelijk is jegens nabestaanden van mannen die zijn omgekomen bij de val van de enclave Srebrenica in juli 1995. De aansprakelijkheid is beperkt tot 10% van de schade die de nabestaanden van de mannen die zich op 13 juli 1995 op de compound van Dutchbat bevonden, hebben geleden. (meer…)

HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:996 (eigenaren / TenneT)

Op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht kan een gedoogplicht worden opgelegd voor een werk, zoals in dit geval een hoogspanningslijn. De schade die door de aanleg en instandhouding van dat werk wordt geleden, moet volledig worden vergoed. Die schade omvat ook de schade door waardevermindering van het perceel. De Hoge Raad beslist dat dat niet anders is voor de waardevermindering die is veroorzaakt door de maatregel die het werk planologisch mogelijk heeft gemaakt, in dit geval een rijksinpassingsplan. De rechthebbende hoeft die schade dus niet apart als planschade via de overheid te verhalen, maar kan deze op grond van de BP verhalen. (meer…)

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738

Indien de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan over een besluit waarvan beroep bij hem openstaat, is de burgerlijke rechter gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van dat besluit. De burgerlijke rechter is bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit. (meer…)

HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:353 (eiseressen/gemeente Den Haag)

In deze zaak had een gemeente ten onrechte een bouwvergunning (fase I) geweigerd. De aanvraag was niet in strijd met het bestemmingsplan en de gemeente had buiten de daarvoor geldende beslistermijn beslist. Daardoor was de vergunning van rechtswege op dat moment verleend. De ABRvS stelde daarom vast dat het weigeringsbesluit onrechtmatig was. In deze procedure vorderde de aanvraagster vergoeding van de door dit onrechtmatige besluit geleden schade. Een door de bestuursrechter vernietigd besluit is onrechtmatig vanaf het moment dat het is genomen. Dat is niet anders in een geval als dit, waarin de vergunning door het verstrijken van de beslistermijn al van rechtswege is verleend. De rechter hoeft er in het kader van het causaal verband dus niet van uit te gaan dat de aanvrager zonder de onrechtmatige weigering al daarvoor, aan het einde van de beslistermijn, over een vergunning had beschikt. Aansprakelijkheid vanaf een tijdstip vóór het onrechtmatige besluit kan bestaan wanneer het bestuursorgaan onrechtmatig handelt door niet tijdig te beslissen of aanvrager niet in kennis te stellen van de vergunning. Die grondslagen waren in deze zaak echter niet aan de orde.   (meer…)

HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:354

Of sprake is van een condicio sine qua non-verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade, moet worden vastgesteld door de situatie zoals zij zich in werkelijkheid heeft voorgedaan te vergelijken met de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. (meer…)