Selecteer een pagina

HR 6 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:346

De burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich bevindt op het moment dat een psychiater een medische verklaring indient, is bevoegd om een crisismaatregel te nemen. De Wvggz bevat geen beslistermijn voor het nemen van een crisismaatregel door de burgemeester.

Achtergrond

Betrokkene werd op 19 december 2024 onderzocht door een psychiater. In de medische verklaring heeft de psychiater verklaard het ernstige vermoeden te hebben dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis waaruit gedrag voortvloeit dat een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt. In de verklaring is ook vermeld dat betrokkene verblijft in Haarlem. Diezelfde dag, na ondertekening van de medische verklaring, is betrokkene overgeplaatst naar een accommodatie in Amsterdam. Het is de burgemeester van Haarlem die op 20 december 2024 een de crisismaatregel op grond van art. 7:1 Wvggz heeft genomen.

 

In beroep heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat de crisismaatregel onrechtmatig is. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen dit oordeel komt de betrokkene in cassatie op.

 

Bevoegdheid van de burgemeester

In cassatie werd geklaagd dat de rechtbank de burgemeester van Haarlem ten onrechte bevoegd heeft geacht om de crisismaatregel te nemen, omdat de burgemeester van Haarlem de crisismaatregel heeft genomen nadat betrokkene was overgeplaatst naar Amsterdam.

 

Op grond van art. 7:1 Wvggz kan de burgemeester een crisismaatregel nemen ten aanzien van een persoon die zich ‘in zijn gemeente bevindt’. In cassatie is dus de vraag aan de orde naar welk moment moet worden bepaald of de betrokkene zich ‘in zijn gemeente bevindt’.

De Hoge Raad wijst op een vergelijkbare zaak onder de voorloper van de Wvggz (de Krankzinnigenwet). Daarin heeft de Hoge Raad beslist dat het ernstige vermoeden dat betrokkene een onmiddellijk dreigend gevaar voor anderen of voor de openbare orde opleverde, was ontstaan toen betrokkene zich nog in Vlaardingen bevond, waardoor de burgemeester van Vlaardingen bevoegd was om de beschikking tot inbewaringstelling te geven.

De Hoge Raad overweegt dat het aannemen van de stelling dat de burgemeester niet bevoegd zou zijn tot het nemen van een crisismaatregel wanneer de betrokkene zich op dat moment niet meer in diens gemeente bevindt, praktische problemen zou opleveren. De periode tussen het indienen van de medische verklaring ter voorbereiding van de crisismaatregel en het moment waarop over de maatregel wordt besloten, is veelal kort en bevindt zich soms deels in de nacht. Het is daarom niet altijd mogelijk om de burgemeester tijdig te informeren over de overplaatsing. Dat geldt ook voor het informeren van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich inmiddels bevindt. Dit zou er verder in voorkomend geval toe leiden dat laatstbedoelde burgemeester de betrokkene moet horen (het horen van betrokkene is immers vereist voor het opleggen van een crisismaatregel), terwijl de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich aanvankelijk bevond, de betrokkene reeds heeft gehoord. Een redelijke en op de eisen van de praktijk afgestemde uitleg van art. 7:1 Wvggz brengt dus mee dat tot het nemen van een crisismaatregel bevoegd is de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zich bevindt op het moment dat een psychiater een medische verklaring als bedoeld in art. 7:1 lid 3, onder a, Wvggz indient in het (zorg)systeem.

Nu betrokkene zich bevond in Haarlem op het moment dat de psychiater de medische verklaring heeft ingediend, was de burgemeester van Haarlem bevoegd de crisismaatregel te nemen.

Beslistermijn

In cassatie werd daarnaast geklaagd dat de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat voor de burgemeester geen beslistermijn geldt bij het nemen van een crisismaatregel. Betrokkene betoogt dat van de burgemeester mag worden verwacht dat hij bij het bepalen van de termijn waarbinnen hij beslist, mede acht slaat op de maximale duur van verplichte zorg in afwachting van een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:3 lid 2 Wvggz. In het onderhavige geval had de burgemeester derhalve eerder behoren te beslissen, althans een nieuwe procedure in gang moeten zetten.

De Hoge Raad overweegt dat de Wvggz geen beslistermijn bevat voor het nemen van een crisismaatregel door de burgemeester. Ook in de parlementaire geschiedenis ontbreken aanknopingspunten voor het aannemen van een dergelijke termijn. Dit betekent dat de burgemeester bevoegd blijft om een crisismaatregel te nemen, ook nadat gedurende de maximale periode als bedoeld in art. 7:3 lid 2 Wvggz tijdelijke verplichte zorg is verleend in afwachting van het nemen van een crisismaatregel.

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Deze beslissing wijkt af van de conclusie van A-G Coenraad, waarin was geconcludeerd dat de burgemeester van Haarlem onbevoegd was om de crisismaatregel te nemen omdat betrokkene zich op het moment van beslissen in Amsterdam bevond.

Share This

Cassatieblog.nl