Selecteer een pagina

HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1292

Nu de vrouw verzocht om afgifte van het goud, dat de man volgens haar in bezit zou hebben, was het aan haar om te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat de man het goud nog heeft. Het was niet aan de man om te bewijzen dat hij het goud niet meer heeft omdat hij het – zoals hij stelde – in de echtelijke woning heeft achtergelaten. Het hof heeft dit miskend.

Inleiding

Deze uitspraak komt voort uit een echtscheidingszaak. Tussen partijen (hierna: de man en de vrouw) is de echtscheiding uitgesproken. Vervolgens moet het huwelijksvermogen worden verdeeld. Vast staat dat er een hoeveelheid goud in een kluis lag en dat de man en de vrouw allebei recht hebben op de helft van dat goud. Vast staat ook dat de man het goud op enig moment uit de kluis heeft gehaald. De vraag is waar het goud daarna is gebleven.

De vrouw stelt dat de man het heeft meegenomen en nog steeds in bezit heeft. Op grond daarvan verzoekt zij dat de man wordt veroordeeld tot afgifte van de helft van het goud aan haar, althans vergoeding van de waarde van die helft aan haar. De man weerspreekt dat hij het goud nog heeft. Hij stelt dat hij het goud in de echtelijke woning heeft achtergelaten. Daarna zou de vrouw de sloten hebben vervangen, zodat hij er niet meer in kon. De man heeft ook een eigen (tegen)verzoek gedaan tot afgifte van de helft van het goud door de vrouw, maar dit verzoek speelt in cassatie geen rol meer.

De rechtbank oordeelde dat partijen ieder recht hebben op de helft van het goud (althans op de waarde daarvan), maar dat niet kon worden vastgesteld wie het goud nu in zijn of haar bezit heeft. De rechtbank wees de wederzijdse verzoeken tot afgifte (of vergoeding) daarom af.

Het hof kwam tot een ander oordeel. Het overwoog dat de man fysiek de beschikking had over het goud, omdat hij het uit de kluis heeft gehaald. Vervolgens overwoog het hof:

“De man stelt dat hij het goud vervolgens in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist. In het licht van deze betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling – waarvan de bewijslast bij hem ligt – onvoldoende nader onderbouwd en daar ook geen concreet bewijs van aangeboden, zodat het hof ervan uitgaat dat de man ook nu nog beschikt over het goud.”

Op grond hiervan wees het hof het verzoek van de vrouw tot afgifte van het goud door de man toe.

Stelplicht- en bewijslastverdeling volgens art. 150 Rv

De hoofdregel van bewijslastverdeling in civiele zaken staat in art. 150 Rv:

“De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”

In beginsel is het daarom aan degene die een vordering instelt om de feiten waarop hij die baseert te stellen en, zo nodig, te bewijzen. De wederpartij die die feiten betwist (weerspreekt) hoeft die betwisting dus niet te bewijzen. Dat kan anders zijn als hij bijvoorbeeld een bevrijdend verweer voert. Dat betekent dat de wederpartij zich beroept op feiten met een eigen, zelfstandig rechtsgevolg, dat los staat van de grondslag van de vordering, maar wel de toewijzing daarvan blokkeert. In dat geval zal hij de daarvoor benodigde feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen. Een voorbeeld van een bevrijdend verweer is een beroep op verjaring (zie voor een ander voorbeeld HR 17 maart 2017, CB 2017-56). Zie ook punt 3.9 e.v. van de conclusie van A-G van Peursem in deze zaak, die toelicht waarom in dit geval geen sprake is van een bevrijdend verweer.

De Hoge Raad vernietigt

In cassatie klaagt de man over het oordeel van het hof dat de bewijslast van zijn stelling dat hij het goud in de echtelijke woning heeft achtergelaten bij hem ligt.

De Hoge Raad acht deze klacht gegrond. Het hof moest immers beoordelen of het verzoek van de vrouw, tot afgifte van het goud door de man aan haar, kon worden toegewezen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelde de vrouw dat de man het goud nog in zijn bezit had, omdat hij het uit de kluis zou hebben gehaald en onder zijn beheer heeft genomen. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv was het dus aan de vrouw om te stellen, en zo nodig bewijzen, dat de man het goud nog heeft, aldus de Hoge Raad. Het betoog van de man dat hij het goud in de echtelijke woning heeft achtergelaten is een betwisting van de stellingen van de vrouw. Van die betwisting draagt de man dus niet de bewijslast. Het oordeel van het hof dat de man deze stelling moest bewijzen, getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof, in lijn met de conclusie van A-G Van Peursem.

De man werd in cassatie bijgestaan door Jerre de Jong en de auteur.

Share This

Cassatieblog.nl