Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Op 28 januari 2011 is het wetsvoorstel prejudiciële vragen aan de Hoge Raad bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel is, evenals het wetsvoorstel Versterking cassatierechtspraak, een uitvloeisel van het rapport “Versterking van de cassatierechtspraak” van de commissie-Hammerstein uit 2008. Het wetsvoorstel is op 7 februari 2012 door de Eerste Kamer aangenomen en de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad is op 1 juli 2012 in werking getreden.

De wet introduceert de mogelijkheid voor (bepaalde) rechters in feitelijke instanties om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Aanvankelijk was in het wetsvoorstel opgenomen dat enkelvoudige rechters geen prejudiciële vragen kunnen stellen. Deze beperking was opgenomen in verband met de mogelijkheid dat ook kantonzaken meervoudig behandeld zouden kunnen worden. Die laatste mogelijkheid is neergelegd in de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie, maar zal niet in werking treden. Omdat het natuurlijk niet de bedoeling is dat kantonrechters helemaal geen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zouden kunnen stellen, is bij tweede nota van wijziging de beperking tot meervoudige kamers geschrapt. Wel blijft gelden dat in de procedure tot verbindendverklaring van een WCAM-schikking (art. 7:907 BW) geen prejudiciële vragen kunnen worden gesteld.

Aan de Hoge Raad kunnen in de prejudiciële procedure alleen rechtsvragen worden voorgelegd. Verder is vereist dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag rechtstreeks van belang is voor (in de bewoordingen van het wetsvoorstel):

(a) een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of

(b) de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.

Het moet dus steeds gaan om rechtsvragen die in een aanzienlijk aantal zaken aan de orde zijn. Hetzij omdat het gaat om een groot aantal zaken voortvloeiend uit hetzelfde feitencomplex (“massaschade”-gevallen), hetzij omdat het gaat om een vraag die speelt in een groot aantal vergelijkbare zaken. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld van dit laatste onder andere de uitleg van nieuwe wetgeving. Daarnaast worden enkele andere voorbeelden uit de rechtspraak van de Hoge Raad genoemd – bijvoorbeeld de vraag of een veroordeling in de proceskosten ook betrekking kan hebben op de nakosten en de vragen die spelen bij de omvang van een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag – die zich zouden hebben geleend voor beantwoording via de prejudiciële procedure.

De feitenrechter die een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad wil stellen, dient eerst partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over dit voornemen en over de inhoud van de te stellen vraag. Tegen de beslissing om een prejudiciële vraag te stellen en tegen de formuleringvan de inhoud van de vraag, staat geen hogere voorziening open.

De Hoge Raad kan ongemotiveerd afzien van de beantwoording van een aan hem voorgelegde prejudiciële vraag, als hij van oordeel is dat de vraag zich niet leent voor beantwoording via de prejudiciële procedure of hij de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. Neemt de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vraag wel in behandeling, dan verloopt de procedure in grote lijnen verder als een gewone cassatieprocedure. Partijen krijgen de gelegenheid om – door tussenkomst van een cassatieadvocaat – schriftelijke opmerkingen in te dienen. Anders dan in de gewone cassatieprocedure kan de Hoge Raad overigens bepalen dat ook niet-partijen schriftelijke opmerkingen mogen indienen. Hierna kan de Hoge Raad, ambtshalve of op verzoek, een dag bepalen voor mondelinge of schriftelijke toelichting door de advocaten van partijen. Volgens de memorie van toelichting bestaat voor schriftelijke of mondelinge toelichting met name aanleiding als ook anderen dan partijen schriftelijke opmerkingen hebben ingediend: partijen kunnen dan daarop bij de schriftelijke of mondelinge toelichting reageren.

Na de afronding van het partijdebat neemt de Procureur-Generaal zijn conclusie. Partijen hebben het recht om binnen twee weken op deze conclusie te reageren. Vervolgens zal de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vraag beslissen. De Hoge Raad kan daarbij overigens zo nodig de gestelde vraag herformuleren. Na de beslissing van de Hoge Raad gaat de zaak weer terug naar de feitenrechter die de prejudiciële vraag had gesteld. Deze rechter beslist – nadat hij partijen in de gelegenheid heeft gesteld om zich over de uitspraak van de Hoge Raad uit te laten – met inachtneming van deze uitspraak.

De tekst van de Wet prejudiciele vragen aan de Hoge Raad is gepubliceerd in Stb. 2012, 65.  Elders op Cassatieblog zijn de plenaire behandeling van de wet in de Tweede Kamer en de schriftelijke behandeling in de Eerste Kamer besproken.