Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Arbeidsrecht

Opzegtermijn bij opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en opvolgend werkgeverschap

CB 2018-193 Geplaatst op 06 dec 2018 door

HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2222

Bij elkaar binnen zes maanden opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd tussen een werknemer en werkgevers die worden geacht elkaars opvolger te zijn, moet de opzegtermijn worden berekend uitgaande van het tijdstip van totstandkoming van de eerste overeenkomst.
Is sprake van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd die anders is geëindigd dan door – kort gezegd – opzegging door de werkgever of de faillissementscurator dan wel ontbinding door de rechter en binnen zes maanden wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij een opvolgend werkgever, dan is sprake van samenloop tussen de Ragetlie-regeling van art. 7:667 lid 4 en 5 BW en de regeling van art. 7:668a lid 2 en 4 BW, geldt de laatste overeenkomst op grond van art. 7:668a lid 1 en 2 BW als aangegaan voor onbepaalde tijd, is voor de beëindiging van deze overeenkomst opzegging nodig en geldt dat de opzegtermijn wordt berekend vanaf het aangaan van de eerste overeenkomst (art. 7:667 lid 4 BW en art. 7:668a lid 4 BW).

Lees verder >

Welbewuste instemming verslechtering arbeidsvoorwaarden vereist

CB 2018-188 Geplaatst op 29 nov 2018 door

HR 22 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2168, 2169, 2170, 2172, 2185 en 2187

Een werkgever mag pas erop vertrouwen dat een werknemer een functie heeft aanvaard die voor die werknemer een verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden meebrengt, indien op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die nieuwe functie heeft ingestemd. De omstandigheid dat de werknemer de bij de nieuwe functie behorende werkzaamheden is gaan verrichten, is niet voldoende om van ‘welbewuste instemming’ van de werknemer uit te gaan. Daarbij is van belang dat een werknemer in de verhouding tot zijn werkgever verplicht is de bedongen arbeid te verrichten, en dat hij het risico loopt dat het niet verrichten van de opgedragen werkzaamheden als werkweigering zal worden aangemerkt. Lees verder >

De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over de Detacheringsrichtlijn

CB 2018-187 Geplaatst op 29 nov 2018 door

HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2174

De Hoge Raad stelt vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van het begrip “op het grondgebied van een lidstaat” als bedoeld in art. 1 lid 1 en 3 van de Detacheringsrichtlijn en de uitleg van het begrip “collectieve arbeidsovereenkomsten (…) die algemeen verbindend zijn verklaard” van diezelfde richtlijn.  Lees verder >

Uitzondering op Baijingsleer mogelijk voor na ontbindingsuitspraak bekend geworden feiten

CB 2018-177 Geplaatst op 08 nov 2018 door

HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1986

In een geval waarin de rechter een arbeidsovereenkomst heeft ontbonden onder het vóór 1 juli 2015 geldende recht wegens een aan de ex-werknemer verweten gedraging en na de ontbindingsprocedure op dit punt nieuwe informatie van wezenlijke betekenis is bekend geworden die de ontbindingsrechter op dit punt niet heeft kunnen meewegen, is het in lijn met het Baijingsarrest, dat in een afzonderlijk geding alsnog op basis van de nieuw bekend geworden feiten kan worden beoordeeld of de werknemer op grond van de eisen van goed werkgeverschap of die van de redelijkheid en billijkheid aanspraak heeft op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.    Lees verder >

Verhouding hoofdprocedure en schadestaatprocedure

CB 2018-176 Geplaatst op 01 nov 2018 door

HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1975

Uitgangspunt is dat de rechter in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid vaststelt en dat de rechter in de schadestaatprocedure gebonden is aan dat oordeel. In onderhavige zaak laat het arrest van het hof  in de hoofdprocedure geen andere uitleg toe dan dat de grondslag voor de door het hof aangenomen aansprakelijkheid van verweerster is gelegen in een rechtstreeks op art. 7:611 BW berustende verplichting van de werkgever om de werknemer diens schade als gevolg van een arbeidsgerelateerd verkeersongeval te vergoeden en dat het hof op die grondslag verweerster aansprakelijk acht voor de schade die eiser lijdt als gevolg van het hem overkomen verkeersongeval, en dus niet voor de schade die eiser lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering. Lees verder >

Volledige transitievergoeding bij ontslag wegens ziekte kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd

CB 2018-166 Geplaatst op 18 okt 2018 door

HR 5 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1845

Werknemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd wegens twee jaren van ziekte hebben recht op een volledige transitievergoeding. Dit geldt ook als de werknemer ten tijde van het ontslag bijna pensioengerechtigd is. De toekenning van een (volledige) transitievergoeding kan echter ook in dergelijke gevallen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.    Lees verder >

Maatstaf beoordeling opvolgend werkgeverschap bij werkgeverswisseling vóór 1 juli 2015

CB 2018-165 Geplaatst op 16 okt 2018 door

HR 12 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1909

Werkgeverswisselingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 juli 2015 moeten in het kader van transitievergoeding (ook) worden beoordeeld aan de hand van de (Van Tuinen/Wolters-)maatstaf die tot 1 juli 2015 gold voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 (oud) BW (de ketenregeling). De Hoge Raad bevestigt met dit oordeel zijn eerdere rechtspraak.  Lees verder >

De verplichting uit art. 7:686a lid 6 BW geldt niet als de rechter alleen transitievergoeding toekent aan de werknemer

CB 2018-161 Geplaatst op 11 okt 2018 door

HR 28 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1812

De verplichting voor de rechter om degene die ontbinding verzoekt gelegenheid te geven tot intrekking van het ontbindingsverzoek (art. 7:686a lid 6 BW) geldt uitsluitend indien een van de in art. 7:671b BW en art. 7:671c BW bedoelde vergoedingen wordt toegekend aan de verwerende partij. Die verplichting geldt derhalve niet in het geval waarin de rechter de werkgever niet veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding, maar wel tot betaling van de transitievergoeding. Het is de rechter in een dergelijk geval echter wel toegestaan de verzoeker de gelegenheid te geven zijn verzoek in te trekken, wat de rechter bijvoorbeeld kan doen door het geven van een voorwaardelijke beslissing waarbij de voorwaarde inhoudt dat het ontbindingsverzoek niet voor een bepaalde datum wordt ingetrokken. De rechter mag de voorwaardelijke beslissing echter niet ambtshalve geven, maar slechts indien deze beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt. Lees verder >

Beding in de polisvoorwaarden is geen oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EEG

CB 2018-155 Geplaatst op 02 okt 2018 door

HR 28 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1800

Het beding in de polisvoorwaarden waarin is bepaald dat de verzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelt aan de hand van de door haar aan te wijzen medische en andere deskundigen en dat de verzekerde geacht wordt de vaststelling van de verzekeraar te hebben aanvaard als niet binnen 30 dagen bezwaar is gemaakt, is geen oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Lees verder >

Eis van overleggen deskundigenverklaring bij loonvordering (art. 7:629a BW) geldt niet in kort geding

CB 2018-149 Geplaatst op 27 sep 2018 door

HR 14 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1673

De eis dat de werknemer bij een loonvordering een deskundigenverklaring moet overleggen (art. 7:629a BW) geldt niet in kort geding. Het is aan de kortgedingrechter overgelaten om te bepalen of een deskundigenverklaring in een concreet geval wenselijk is.   Lees verder >

Pagina 1 van 1312345...10...Minst recente »