Selecteer een pagina

Dossier: Arbeidsrecht


Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795

Het verplichtstellingsbesluit van de Bpf MITT voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat. (meer…)

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:409

Teneinde de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) te waarborgen had het hof – dat zijn oordeel over het ontslag op staande voet mede op de tijdens de mondelinge behandeling getoonde camerabeelden heeft gebaseerd – genoegzame maatregelen moeten nemen om adequate kennisneming van de volledige door de werkgever overgelegde, en door het hof voorafgaand aan de zitting bekeken, camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en de werknemer in staat te stellen zich daarover uit te laten. (meer…)

HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:99

De referteperiode uit art. 7:610b BW behoeft niet onmiddellijk vooraf te gaan aan de periode waarop het verzoek tot vaststelling van het aantal arbeidsuren ziet, maar kan ook gelegen zijn in een eerdere of zelfs latere fase van het dienstverband.  (meer…)

HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193

Bij de berekening van een billijke vergoeding na het eindigen van een arbeidsovereenkomst kan de rechter betrekken of de werknemer recht zou hebben op een WW-uitkering. Of het redelijk is om daarmee rekening te houden, en in welke mate, hangt af van de omstandigheden van het geval in het licht van wat partijen daarover hebben aangevoerd. (meer…)

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:239

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over de wettelijke rente en de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 BW in geval van niet-tijdige voldoening van loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld moet worden aangemerkt.

Ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het hiervoor bedoelde loon zijn op hun beurt aan te merken als (concurrente respectievelijk preferente) boedelschuld. Niet van belang is of de werknemer ter zake van dat loon ook jegens het UWV recht heeft op een uitkering op grond van de loongarantieregeling. Een behoorlijke taakuitoefening door de curator kan meebrengen dat hij werknemers attendeert op deze aanspraken jegens de boedel. (meer…)

Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:99

In deze nieuwe cassatievlog bespreekt Berend-Bram Heinen een recent arrest van de Hoge Raad over artikel 7:610b BW. Dit artikel bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden (de ‘referteperiode’). Moet de referteperiode noodzakelijkerwijs onmiddellijk voorafgaan aan de periode waarop het verzoek ziet of kan ook een andere periode in aanmerking worden genomen? De Hoge Raad geeft antwoord.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #153 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Cassatieblog.nl