Selecteer een pagina

Dossier: Kooprecht


Het overzicht van prejudiciële zaken vermeldt weer een aantal nieuwe civiele zaken waarin op grond van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. De vragen zien op (1) toepasselijkheid van het in art. 128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel op de vereffening van een nalatenschap (2) vraag of bij art. 7:417 lid 4 BW ook van toepassing is op de korte termijn verhuur van vakantieaccommodaties (onlineplatform Airbnb)  (3) vraag over consumentenrecht en (pre)contractuele informatieverplichtingen en (4) uitleg van het criterium ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder uit het Nellestein-arrest van de HR uit 2012. (meer…)

HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263

Het hof is terecht ervan uitgegaan dat het voor de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte, aankomt op (uitleg van) alleen die akte zelf. Wel had het hof de akte niet geheel van het bewijs mogen uitsluiten, althans blijk moeten geven dat hij die akte heeft meegewogen bij de bewijswaardering. (meer…)

HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2287

Bij de verkoop van een oude, zichtbaar gebrekkige boerderij, garandeerde de verkoper dat deze geschikt was voor normaal gebruik als woning. Het oordeel van het hof dat aan de voor dat normale gebruik benodigde eigenschappen in dit geval geen hoge eisen kunnen worden gesteld, laat de Hoge Raad in stand. (meer…)

HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight/Verweerster)

Van een “bijzondere” publiekrechtelijke last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW is slechts sprake, indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit. De uit de Beleidsregels grote rivieren voortvloeiende lasten en beperkingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als “bijzonder” in de zin van art. 7:15 BW. (meer…)

HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593 (FAR Trading / Edco Eindhoven)

Wanneer een schuldenaar (verkoper) zich beroept op de rechtsgevolgen van de klachtplichtregelingen van art. 6:89 en 7:23 BW, ligt het op de weg van de schuldeiser (koper) om te bewijzen dat en wanneer hij heeft geklaagd over gebreken in de prestatie. Het is vervolgens aan de verkoper om te bewijzen dat daarmee niet tijdig is geklaagd. Deze bijzondere regel van bewijslastverdeling wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de klachtplichtregelingen de strekking hebben de verkoper te beschermen. Als op de verkoper ook het bewijsrisico ter zake van de klacht zelf en het tijdstip daarvan zou rusten, zou aan deze strekking van de klachtplichtregeling te zeer afbreuk worden gedaan. (meer…)

HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1077 (ABN Amro/Botersloot C.V.)

Als een koper een aanvankelijk geconstateerd gebrek aan een door hem gekochte zaak voor lief neemt, en later ontdekt dat het gebrek van groter omvang of van andere aard is dan hij aanvankelijk dacht, kan aan een beroep op dat gebrek in de weg kan staan dat hij na zijn aanvankelijke ontdekking geen nader onderzoek heeft gedaan of laten doen, terwijl dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Het is aan de verkoper zich daarop te beroepen. De rechter mag, bij beantwoording van de vraag of de koper tijdig aan zijn klachtplicht heeft voldaan, aanknopen bij het gebrek waarop de koper zich beroept. Hij hoeft in het kader van de vraag wanneer de klachttermijn is aangevangen, niet (onafhankelijk van het partijdebat) te onderzoeken of de zaak de eigenschappen bezit die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. (meer…)