Selecteer een pagina

Dossier: Personen- en familierecht


HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948 (William Schrikker Stichting, De Raad voor de Kinderbescherming en de belanghebbenden)

Als een screening van een pleeggezin door een pleegzorgaanbieder niet heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is, of de pleegzorgaanbieder meent dat de plaatsing grote veiligheidsrisico’s voor het kind met zich brengt en zij daarom geen verantwoordelijkheid (meer) voor die plaatsing wil dragen, brengt dit niet zonder meer mee dat de minderjarige niet in dat pleeggezin geplaatst kan worden of geplaatst kan blijven. Als de rechter of de Gecertificeerde Instelling (GI) echter van oordeel is dat plaatsing in het pleeggezin voor de minderjarige onvoldoende veilig is, moet plaatsing in dat gezin voorkomen of beëindigd worden.
Voor ouders van een minderjarig kind dat onder voogdij staat, bestaat geen regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij. Dit is geen hiaat in de wetgeving waarin de rechter zou moeten voorzien. (meer…)

HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1570

De Hoge Raad gaat uitgebreid in op de verhouding tussen kinderbeschermingsmaatregelen en het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven, mede vanwege de recente EHRM-uitspraak Van Slooten tegen Nederland (2025). De Hoge Raad oordeelt onder veel meer:
(i) De conclusie dat na het verstrijken van een aanmerkelijke periode het doel van hereniging van het kind en de ouder(s) zich niet langer verdraagt met het belang van het kind, mag niet snel worden getrokken.
(ii) Bij een verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag is een noodzakelijke voorwaarde dat herstel in het belang van het kind is. Dat geldt ook als bij eerdere beslissingen over gezag en omgang met de minderjarige fouten zijn gemaakt. (meer…)

HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724

De mogelijkheid om in echtscheidingszaken een voorlopige of nevenvoorziening te krijgen, ziet niet op verzoeken om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarige kinderen.

De rechter kan wel een verzoek van de jongmeerderjarige tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie gelijktijdig behandelen met verzoeken die in de echtscheidingsprocedure tussen zijn ouders worden gedaan. De jongmeerderjarige kan een ouder ook machtigen tot het doen van een dergelijk verzoek. (meer…)

HR 19 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1322 

Bij de beoordeling van geschillen omtrent de uitoefening van gezamenlijk gezag neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1 BW). Dit betekent echter niet dat het belang van het kind altijd zwaarder weegt dan andere belangen. In dit geval heeft het hof dit ofwel miskend, ofwel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door in zijn afweging niet een aantal persoonlijke omstandigheden van de moeder te betrekken. (meer…)

HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1011

De gecertificeerde instelling (GI) is in voogdijzaken vrijgesteld van verplichte procesvertegenwoordiging op grond van art. 1:283 BW. Deze vrijstelling geldt óók als de GI niet de verzoekende partij is, maar een verweerschrift indient, en geldt ook in hoger beroep. Daarnaast geldt als uitgangspunt toewijzing van een verzoek om eenhoofdig gezag van een ouder na beëindiging van het eenhoofdige gezag van de andere ouder, tenzij het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. (meer…)

HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902

1) Als een mondelinge behandeling plaatsvindt, is uitgangspunt dat partijen daarbij daadwerkelijk fysiek verschijnen.
2) De wet staat er echter niet aan in de weg dat een deel van de partijen via videoverbinding aan de zitting deelneemt (een hybride zitting). De wet vereist niet dat alle partijen daarmee instemmen.
3) Wel verdient fysieke aanwezigheid van alle partijen bij de mondelinge behandeling de voorkeur. De rechter moet daarom steeds nagaan of een verzoek om via videoverbinding aan een zitting te mogen deelnemen een legitiem doel dient en of het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd.
4) In een geval waarin de rechter zich een oordeel moet vormen over de (mentale) toestand van betrokkene, zoals bij een verzoek tot het instellen van bewind of mentorschap, is de fysieke aanwezigheid van betrokkene van bijzonder belang. Daarom is slechts onder bijzondere omstandigheden toelaatbaar dat betrokkene via een videoverbinding deelneemt.

(meer…)

Cassatieblog.nl