Selecteer een pagina

Dossier: Personen- en familierecht


Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:845

In zijn beschikking van 5 juni 2026 gaat de Hoge Raad in op de toepassing van de tweeconclusieregel en de termijn voor het indienen van stukken ex art. 87 lid 6 Rv in een procedure over vervangende toestemming op de voet van art. 1:253a BW om met een minderjarige te verhuizen. Pim Wissink bespreekt het arrest in vier minuten.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #167 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:510

Het bezit van staat (art. 1:209 BW) biedt geen bescherming bij een buitenlandse geboorteakte die een door geboorte ontstane familierechtelijke betrekking vastlegt die voortvloeit uit een huwelijk, als dit huwelijk in Nederland vanwege het polygame karakter kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (10:32 BW) en daarom niet kan worden erkend. (meer…)

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948 (William Schrikker Stichting, De Raad voor de Kinderbescherming en de belanghebbenden)

Als een screening van een pleeggezin door een pleegzorgaanbieder niet heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is, of de pleegzorgaanbieder meent dat de plaatsing grote veiligheidsrisico’s voor het kind met zich brengt en zij daarom geen verantwoordelijkheid (meer) voor die plaatsing wil dragen, brengt dit niet zonder meer mee dat de minderjarige niet in dat pleeggezin geplaatst kan worden of geplaatst kan blijven. Als de rechter of de Gecertificeerde Instelling (GI) echter van oordeel is dat plaatsing in het pleeggezin voor de minderjarige onvoldoende veilig is, moet plaatsing in dat gezin voorkomen of beëindigd worden.
Voor ouders van een minderjarig kind dat onder voogdij staat, bestaat geen regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij. Dit is geen hiaat in de wetgeving waarin de rechter zou moeten voorzien. (meer…)

HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1570

De Hoge Raad gaat uitgebreid in op de verhouding tussen kinderbeschermingsmaatregelen en het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven, mede vanwege de recente EHRM-uitspraak Van Slooten tegen Nederland (2025). De Hoge Raad oordeelt onder veel meer:
(i) De conclusie dat na het verstrijken van een aanmerkelijke periode het doel van hereniging van het kind en de ouder(s) zich niet langer verdraagt met het belang van het kind, mag niet snel worden getrokken.
(ii) Bij een verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag is een noodzakelijke voorwaarde dat herstel in het belang van het kind is. Dat geldt ook als bij eerdere beslissingen over gezag en omgang met de minderjarige fouten zijn gemaakt. (meer…)

HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724

De mogelijkheid om in echtscheidingszaken een voorlopige of nevenvoorziening te krijgen, ziet niet op verzoeken om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van jongmeerderjarige kinderen.

De rechter kan wel een verzoek van de jongmeerderjarige tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie gelijktijdig behandelen met verzoeken die in de echtscheidingsprocedure tussen zijn ouders worden gedaan. De jongmeerderjarige kan een ouder ook machtigen tot het doen van een dergelijk verzoek. (meer…)

HR 19 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1322 

Bij de beoordeling van geschillen omtrent de uitoefening van gezamenlijk gezag neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1 BW). Dit betekent echter niet dat het belang van het kind altijd zwaarder weegt dan andere belangen. In dit geval heeft het hof dit ofwel miskend, ofwel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door in zijn afweging niet een aantal persoonlijke omstandigheden van de moeder te betrekken. (meer…)

Cassatieblog.nl