Selecteer een pagina

Dossier: Erfrecht


HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:813

Op grond van art. 4:71 BW komt de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in mindering op zijn legitieme portie. De opvatting dat bij de vaststelling van de in art. 4:71 BW bedoelde waarde geen rekening mag worden gehouden met het waardedrukkende effect van een voorwaarde die aan een making is verbonden, is, in haar algemeenheid, onjuist. (meer…)

Hoge Raad 29 mei 2026,  ECLI:NL:HR:2026:813

Erflater heeft in zijn testament een zogenoemde tweetrapsmaking opgenomen. Hij heeft zijn zoon benoemd tot erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde van diens faillissement en zijn kleinkinderen onder de spiegelbeeldige opschortende voorwaarde van het faillissement van de zoon, tevens hun vader. Op het moment van overlijden is de zoon al failliet en gaat de erfenis daarom direct naar de kleinkinderen. Kan nu toch de bewindvoerder in (inmiddels) de schuldsanering van de zoon aanspraak maken op de legitieme portie? Jerre de Jong bespreekt in vier minuten het arrest.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #165 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:680

Caribische zaak. Behoudens een andersluidende regeling zijn de huuropbrengsten van een nalatenschapsgoed burgerlijke vruchten waarin de erfgenamen delen naar evenredigheid van hun aandelen (art. 3:172 BW Curaçao). Met zijn oordeel dat zodanige huurinkomsten geen vruchten van de boedel zijn maar inkomsten van een gebruikende deelgenoot die het goed voor eigen rekening verhuurt, heeft het hof ofwel het voorgaande miskend, ofwel zijn oordeel dat sprake is van gebruik door een deelgenoot als bedoeld in art. 3:169 BW Curaçao onvoldoende gemotiveerd. (meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62

Aan het afwerende karakter van een beroep op een vernietigingsgrond van art. 4:62 BW doet niet af dat dit beroep is gedaan in de vorm van een vordering in reconventie. Voor toepasselijkheid van de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW is de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend. De uitzondering is niet van toepassing op diegene die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde. Voor de kwalificatie als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW is een BIG-registratie niet vereist.  (meer…)

 

HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1687

  1. De termijn van drie jaar uit art. 4:127 BW is een termijn voor het afleggen van een verklaring aan de begunstigde, niet een termijn voor het instellen van een rechtsvordering.
  2. De beoordeling of een handeling strekt tot verrijking van een ander (zoals bedoeld in art. 7:186 lid 2 BW), dan wel of de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan een uit schenking (zoals bedoeld in art. 7:188 lid 1 BW), moet geschieden met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden.

(meer…)

HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758

De bewindvoerder in een meerderjarigenbewind geldt als wettelijk vertegenwoordiger in de zin van art. 4:193 lid 1 BW. Die bepaling bevat regels over de aanvaarding en verwerping van nalatenschappen. Art. 1:441 BW geeft daarvoor deels andere regels. De Hoge Raad legt uit hoe deze regels zich tot elkaar verhouden. De bewindvoerder moet op grond van art. 4:193 lid 1 BW binnen drie maanden de in dat artikellid bedoelde verklaring omtrent de nalatenschap afleggen. Op grond van art. 1:441 lid 5 BW kan hij de nalatenschap met instemming van de rechthebbende ook zuiver aanvaarden. De bewindvoerder is, na machtiging door de kantonrechter, met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd tot verwerping van de nalatenschap. Legt de bewindvoerder niet binnen de termijn van drie maanden een verklaring af, dan geldt de nalatenschap als beneficiair aanvaard.

(meer…)

Cassatieblog.nl