Selecteer een pagina

Dossier: Pensioenrecht


Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795

Het verplichtstellingsbesluit van de Bpf MITT voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat. (meer…)

HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1544

Een fusie is geldig zolang de rechter de fusie niet heeft vernietigd. Het ontbreken van instemming van DNB is geen grond voor vernietiging van de fusie. In de parlementaire geschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat art. 1:23 lid 1 Wft alleen betrekking heeft op rechtshandelingen tussen een financiële onderneming en particuliere of zakelijke klanten en dat privaatrechtelijke rechtshandelingen tussen financiële ondernemingen buiten het toepassingsbereik van art. 1:23 lid 1 Wft vallen. Art. 3:119 lid 4 Wft houdt niet in dat, in afwijking van art. 1:23 lid 1 Wft, door het ontbreken van instemming van DNB de overdracht van rechten en verplichtingen nietig of vernietigbaar is. (meer…)

HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1325

(1) Een werkingssfeerbepaling in een verplichtstellingsbesluit hoeft niet identiek te zijn aan eenzelfde bepaling uit de cao in dezelfde sector.

(2) Bij de uitleg van een werkingssfeerbepaling is niet van belang of de betreffende werkgever gerepresenteerd werd bij de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit.

(meer…)

HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:423

Voor een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie geldt het verjaringsregime van art. 3:308 BW. De verjaringstermijn, vijf jaar, loopt vanaf het opeisbaar worden van de vordering. In het geval van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode, is dat het tijdstip van betaling in het uitvoeringsreglement. In het uitvoeringsreglement kunnen geen langere termijnen worden opgenomen dan in art. 26 Pensioenwet is vermeld. (meer…)

Hoge Raad 30 augustus 2024  ECLI:NL:HR:2024:1102

Als een beding in een bedrijfstakpensioen regeling onduidelijk is moet dat ook worden uitgelegd bij toepassing van de CAO-norm. Het kan niet vanwege die enkele onduidelijkheid buiten toepassing blijven. Martijn Scheltema licht dit toe aan de hand van een uitspraak van de Hoge Raad.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #103 is ook als podcast beschikbaar.

HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:194

Inzet van deze procedure is de wettelijke verplichting voor pensioenfondsen om bij wijze van buffer een bepaald eigen vermogen aan te houden (art. 131 en 132 Pensioenwet). Is deze verplichting in strijd met de IORP II-richtlijn? (meer…)

Cassatieblog.nl