Selecteer een pagina

Alle berichten van: Hidde Volberda


HR 10 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1224

De inhoud en strekking van art. 157 Rv en de eisen van het rechtsverkeer brengen mee dat een akte slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de wederpartij (en haar rechtverkrijgenden), dat wil zeggen degene die in de akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden. (meer…)

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805

Van een mondelinge behandeling die mede ten doel heeft dat de rechter de partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Dat proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak te worden toegezonden aan partijen en ter beschikking te worden gesteld van de meervoudige kamer. (meer…)

Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:908

In deze WSNP-zaak is het beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw in hoger beroep afgewezen. Wat is in zo’n geval de cassatietermijn? De Hoge Raad beantwoordt die vraag in deze beschikking. Hidde Volberda bespreekt de uitspraak in drie minuten.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #168 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679

De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. (meer…)

HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587

De Hoge Raad komt deels terug van zijn prejudiciële beslissing van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799. In geval van een buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst op de voet van art. 7:231 lid 2 BW, dient de rechter niét aan de hand van de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW te beoordelen of de ontbinding stand houdt. De rechter dient daarentegen te beoordelen of de ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of de verhuurder zijn bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). (meer…)

Cassatieblog.nl