Selecteer een pagina

Alle berichten van: Hidde Volberda


Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679

De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. (meer…)

HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587

De Hoge Raad komt deels terug van zijn prejudiciële beslissing van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799. In geval van een buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst op de voet van art. 7:231 lid 2 BW, dient de rechter niét aan de hand van de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW te beoordelen of de ontbinding stand houdt. De rechter dient daarentegen te beoordelen of de ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of de verhuurder zijn bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). (meer…)

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1962

Een huurovereenkomst voor art. 7:290-bedrijfsruimte kan niet ex art. 7:296 lid 3 BW worden beëindigd uitsluitend om een hogere huurprijs te bewerkstelligen. (meer…)

HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1858

De verplichting van de huurder om zich als een goed huurder te gedragen (art. 7:213 BW) kan ook betrekking kan hebben op gedragingen van de huurder buiten het gehuurde, mits er een voldoende verband bestaat met de huurovereenkomst. (meer…)

HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1864

Ambtshalve toetsing overeenkomstig de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG) betekent dat de rechter zelfstandig dient te beoordelen of een beding oneerlijk is en de instructiemaatregelen moet nemen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn te verzekeren. Dit laat onverlet dat feiten en omstandigheden die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (art. 149 lid 1 Rv). (meer…)

Cassatieblog.nl