Selecteer een pagina

Dossier: Strafrecht


HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:784

Voor de fair balance-maatstaf van art. 1 EP EVRM is van belang dat als – zoals bij art. 94a Sv – de doelstelling van de wet is, kort gezegd, het mogelijk maken van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de inmenging ook eigendom van derden kan betreffen, mits “these [assets] have been obtained unlawfully or the third party otherwise lacks bona fide status”. (meer…)

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679

De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. (meer…)

HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:796

De algemene regel van stellen en bewijzen ex art. 149 lid 1 Rv geldt ook voor schadevergoedingsvorderingen ter zake van een feitencomplex waarover ook een strafzaak tegen de gedaagde aanhangig is. De toepassing van deze regel is in beginsel niet in strijd met art. 6 EVRM. (meer…)

Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:898

In dit arrest gaat de Hoge Raad in op de verhouding tussen strafrechtelijke transacties en wilsgebreken. De Hoge Raad oordeelt in een oordeel ten overvloede dat moet worden aangenomen dat een strafrechtelijke transactie als bedoeld in art. 74 Sr in beginsel kan worden vernietigd met een beroep op overeenkomstige toepassing van de civielrechtelijke bepalingen over dwaling (art. 6:228 BW) en bedrog (art. 3:44 BW). Jellis Jansen bespreekt in drie minuten de uitspraak.

Gijsbrecht Nieuwland en Berend-Bram Heinen hebben de Staat in cassatie bijgestaan.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #136 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 17 januari 2025 ECLI:NL:HR:2025:88 en ECLI:NL:HR:2025:89 

Als een Nederlander in een andere EU-lidstaat wordt veroordeeld, kan Nederland besluiten de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf over te nemen. In dat geval wordt de tenuitvoerlegging beheerst door Nederlands recht en geldt in beginsel het Nederlandse regime voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Door verschillen met het v.i.-regime in de beslissingsstaat, kan het overnemen van de straf de facto leiden tot een strafverzwaring. De Hoge Raad gaat in twee uitspraken in op de mogelijkheden voor de Staat en de veroordeelde (in de vorm van rechtsbescherming) om zo’n strafverzwaring te voorkomen. In drie minuten bespreekt Matthijs Bakker deze uitspraken.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

 

HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1774

De minister kon een gratieverzoek weigeren van een veroordeelde in wiens zaak de Hoge Raad na een koerswijziging niet ambtshalve had getoetst of het strafbare feit ten tijde van het hofarrest was verjaard, terwijl het cassatieberoep al voor die koerswijziging aanhangig was. De motivering van de minister dat toewijzing van het gratieverzoek een bewuste keuze van de Hoge Raad zou doorkruisen was toereikend. (meer…)

Cassatieblog.nl