Selecteer een pagina

Dossier: Internationaal privaatrecht


Hoge Raad 25 september 2026 ECLI:NL:HR:2026:1551 en ECLI:NL:HR:2026:1552

In deze cassatievlog bespreekt Jellis Jansen twee recente arresten van de Hoge Raad inzake ‘dieselgate’. Kort gezegd, oordeelt de Hoge Raad dat bij de toepassing van de ankergedaagderegel géén zelfstandig criterium is of voor de gedaagde voorzienbaar was dat hij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd. Verder oordeelt de Hoge Raad dat indien een rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen voor én na 15 november 2016 een splitsing moet plaatsvinden, waarbij op de gebeurtenissen vóór 15 november 2016 het oude recht van toepassing is en op latere gebeurtenissen de WAMCA.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

 

Cassatievlog #173 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1196 en ECLI:NL:HR:2026:1197

Voorzienbaarheid is geen zelfstandige voorwaarde voor toepassing ankergedaagderegeling. Voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ is niet vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat deze vorderingen op dezelfde rechtsgrondslag berusten. Een algemeen onrechtmatigheidsoordeel kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Dat verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, brengt niet mee dat de bij de vorderingen betrokken belangen zich niet voor bundeling lenen; maakt ook niet dat collectieve actie geen voordeel biedt ten opzichte van individuele geschilbeslechting. Terechte terugwijzing door het hof naar de rechtbank. (meer…)

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814

Volgens rechtspraak van het HvJEU worden een dochtermaatschappij en een moedermaatschappij die daarin (nagenoeg) alle aandelen houdt voor de toepassing van de mededingingsregels als één onderneming gezien. Dat werkt ook door in de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een vordering tot aansprakelijkheid wegens overtreding van de mededingingsregels: die kan worden aangebracht bij de rechter van het land waar één van beiden woonplaats heeft (art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis). De rechter kan alleen dan geen bevoegdheid aannemen als op voorhand uitgesloten is dat de moedermaatschappij beslissende invloed had op de dochtermaatschappij. (meer…)

Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126

In het internationaal privaatrecht vormt de openbare orde-exceptie een correctie op de toepassing van het recht dat volgens de conflictregels toepasselijk is. De openbare orde in internationaal-privaatrechtelijke zin bestaat uit fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. De Hoge Raad oordeelt nu dat de openbare orde-exceptie ook in processuele zin van openbare orde is. Dat betekent dat de rechter die exceptie ambtshalve moet toepassen. De rechter in hoger beroep moet dat ook doen buiten het door de grieven ontsloten gebied. Monique Hazelhorst bespreekt in drie minuten deze uitspraak.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #154 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126

De openbare orde-exceptie (o.a. art. 10:6 BW) is in processuele zin van openbare orde. Dat betekent dat de rechter die ambtshalve en zo nodig buiten het door de grieven ontsloten gebied moet toepassen. (meer…)

HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1665

Bij een rechtskeuze op de voet van art. 3 lid 1 Rome I is niet uitgesloten dat partijen een deel van een statelijk rechtsstelsel, en niet dat stelsel in zijn geheel, als het toepasselijke recht aanwijzen. (meer…)

Cassatieblog.nl