Selecteer een pagina

HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165

Op notarissen rust eveneens een waarschuwingsplicht voor de gevolgen van de met tussenkomst van een notaris verrichte rechtshandelingen, zoals het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. Deze waarschuwingsplicht wint aan gewicht wanneer de gevolgen voor één van de partijen nadeliger zijn. Het enkele feit dat een rechtshandeling met tussenkomst van een notaris is verricht, betekent niet zonder meer dat de ene partij er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat de wil van de andere partij overeenstemt met haar verklaring bij de notaris.

Een man en een vrouw zijn op 28 mei 1997 getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. Daarin was een jaarlijkse verrekening van overgespaarde inkomsten overeengekomen, alsmede een verevening van de pensioenen. Geen verrekening zou plaatsvinden wanneer het vermogen van de man of de vrouw negatief zou blijken te zijn. De echtgenoten komen gedurende hun huwelijk verschillende wijzigingen van hun huwelijkse voorwaarden overeen, namelijk in 2009 en in 2016. De pensioenverevening verdwijnt, alsmede hun jaarlijkse verrekening van overgespaarde inkomsten. De man en de vrouw sluiten in 2009 ook een door de betrokken notarissen opgemaakte vaststellingsovereenkomst waarin zij overeenkomen dat ze over het verleden niets meer van elkaar te vorderen hebben op grond van hun eerdere huwelijkse voorwaarden.

De man dient in juni 2017 een verzoek tot echtscheiding in. De tweemaal gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst blijken bijzonder nadelig uit te pakken voor de vrouw. Zij vordert vernietiging (vanwege een discrepantie tussen haar wil en haar verklaring ex art. 3:33 BW) van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst, omdat zij door de betrokken notarissen onvoldoende zou zijn voorgelicht over de voor haar zeer nadelige gevolgen ervan. De man beroept zich erop dat hij er gerechtvaardigd (ex art. 3:35 BW) op heeft vertrouwd dat de vrouw inderdaad de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst heeft willen aanvaarden, in essentie omdat deze door tussenkomst van een notaris zijn overeengekomen.

Het hof geeft de man gelijk. De door de betrokken notarissen gevolgde werkwijze bij de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst zorgde ervoor dat de vrouw voldoende was voorgelicht. Het hof oordeelt dat de notarissen jegens de vrouw aan hun notariële zorgplicht hebben voldaan. Dat laat volgens het hof nauwelijks ruimte voor de stellingen van de vrouw dat zij onvoldoende is voorgelicht over de gevolgen van de wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden of de vaststellingsovereenkomst en dat daarom haar wil niet in overeenstemming zou zijn geweest met haar verklaringen bij de notarissen. Door bij de notarissen medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw in ieder geval bij de man het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij steeds de wil had om te aanvaarden, wat er verder ook zij van de informatie die de man daarnaast aan de vrouw heeft gegeven.

Beide oordelen van het hof houden – in lijn met de conclusie van A-G Van Peursem – in cassatie geen stand. De Hoge Raad stelt voorop dat de notariële tussenkomst mede strekt tot bescherming van partijen. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Art. 43 lid 1 Wna bepaalt in dit verband niet alleen (in de eerste zin) dat de notaris aan partijen tijdig tevoren de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van de akte kennis te nemen en (in de tweede zin) dat de notaris de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven, maar ook (in de derde zin) dat de notaris zo nodig wijst op de gevolgen die voor partijen of een of meer van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Deze laatste waarschuwingsverplichting om op de gevolgen te wijzen omvat mede de verplichting zich ervan te vergewissen dat de partijen die gevolgen begrijpen. Deze waarschuwingsverplichting wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn (r.o. 3.3).

De Hoge Raad vervolgt dat de vrouw heeft aangevoerd – en deze stellingen zijn niet verworpen door het hof – dat zowel de vaststellingsovereenkomst als de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden bijzonder nadelig voor haar zijn. Dat betekent dat de notarissen gehouden waren de vrouw specifiek op de nadeligheid van de gevolgen van de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden en de overeenkomst te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de vrouw deze begreep en aanvaardde (r.o. 3.4). Uit zijn overwegingen blijkt niet dat het hof heeft getoetst of de notarissen aan deze waarschuwingsplicht hebben voldaan, waardoor de rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel van het hof slagen (r.o. 3.5).

De Hoge Raad vernietigt daarnaast het oordeel van het hof dat, nu de notarissen aan hun zorgplicht hebben voldaan, voor de beoordeling van het gerechtvaardigd vertrouwen in het midden kan blijven welke overige informatie de man aan de vrouw heeft gegeven over de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst. De Hoge Raad somt uitvoerig de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden op, waaruit het algemene beeld naar voren komt dat de man niet alleen het volledige gezinsinkomen verwierf, maar ook dat de man een aanzienlijk overwicht had over de vrouw en een kennisvoorsprong ten aanzien van financiële aangelegenheden. Hij heeft daarbij onjuiste informatie gegeven aan de vrouw over de voor haar zeer nadelige wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst, aldus de vrouw (r.o. 3.6). Indien deze stellingen juist zijn, kunnen zij wel degelijk leiden tot het oordeel dat de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de uitleg bij de notarissen begreep waarmee zij instemde. Ook deze overweging van het hof is om die reden onvoldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.7).

Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt daarom vernietigd en voor verdere behandeling verwezen naar hof ’s-Hertogenbosch.

Cassatieblog.nl

Share This