Selecteer een pagina

Dossier: Wvggz – Wet Bopz


HR 17 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1289

Het stond de rechtbank vrij te anticiperen op de aangekondigde gelijkstelling van (onder meer) het syndroom van Korsakov met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap als bedoeld art. 1 lid 4 Wet zorg en dwang (Wzd), en een machtiging tot voortgezet verblijf op grond van de Wzd te verlenen. (meer…)

HR 17 juli 202 ECLI:NL:HR:2020:1314

Of de burgemeester al dan niet bevoegd was een crisismaatregel te nemen is niet van belang voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van die crisismaatregel. (meer…)

HR 10 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1271

De vraag welk regime van toepassing is, wordt bepaald door de mate waarin een problematiek op het moment van de te nemen beslissing op de voorgrond staat en de actuele zorgbehoefte van betrokkene bepaalt; daarbij moet ook de continuïteit van de zorg in een vertrouwde omgeving in aanmerking worden genomen. (meer…)

ECLI:NL:HR:202:1012 en ECLI:NL:HR:2020:1017

In de eerste twee uitspraken onder de per 1 januari 2020 in werking getreden Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), een van de opvolgers van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz), beslist de Hoge Raad dat tegen de verlening van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel cassatieberoep openstaat. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een omissie van de wetgever, waar deze uitsluitend in het kader van de zorgmachtiging heeft bepaald dat de regels van de verzoekschriftprocedure in Rv aanvullend van overeenkomstige toepassing zijn. Tegen de voorganger van de machtiging voortzetting crisismaatregel onder de Wet Bopz, de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, stond geen gewoon rechtsmiddel open (art. 29 lid 5). In art. 7:8 lid 5 Wvggz is slechts bepaald dat tegen de beslissing van de rechter tot voortzetting van de crisismaatregel geen hoger beroep openstaat. (meer…)

ECLI:NL:HR:2019:1691

De regeling van wraking van rechters, neergelegd in de art. 36 – 39 Rv, is ook van toepassing op een machtigingsprocedure op de voet van de Wet Bopz. Indien in een procedure tot het verlenen van een machtiging uit hoofde van de Wet Bopz een wrakingsverzoek wordt gedaan, geldt als uitgangspunt dat de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, niet op het verzoek tot het verlenen van de machtiging mag beslissen zolang niet op het wrakingsverzoek is beslist. (meer…)