HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:409
Teneinde de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) te waarborgen had het hof – dat zijn oordeel over het ontslag op staande voet mede op de tijdens de mondelinge behandeling getoonde camerabeelden heeft gebaseerd – genoegzame maatregelen moeten nemen om adequate kennisneming van de volledige door de werkgever overgelegde, en door het hof voorafgaand aan de zitting bekeken, camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en de werknemer in staat te stellen zich daarover uit te laten.
Achtergrond
Een chauffeur van PostNL is op staande voet ontslagen omdat hij goederen (mobiele telefoons) zou hebben weggenomen tijdens het transport van pakketten. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat de dringende reden onvoldoende is komen vast te staan. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan dan dat de werknemer de goederen heeft weggenomen en dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Het hof heeft dit oordeel mede gebaseerd op camerabeelden van het laden en lossen van rolcontainers met pakketten. Deze camerabeelden zijn op de mondelinge behandeling in hoger beroep vertoond en besproken.
De camerabeelden waren voorafgaand aan de zitting door de advocaat van PostNL met het hof en de advocaat van de werknemer gedeeld. De advocaat had een link en instructie toegestuurd waarmee de camerabeelden van de beveiligingscamera’s van PostNL zijn te downloaden en af te spelen. Voor het afspelen van de beelden moest verder nog een speciaal programma worden gedownload.
De werknemer en zijn advocaat hebben de camerabeelden niet kunnen bekijken vóór de mondelinge behandeling in hoger beroep. De advocaat van de werknemer slaagde er niet in de camerabeelden te openen. Het hof heeft de beelden overigens wel kunnen bekijken. De voorzitter heeft daarover ter zitting opgemerkt dat het misschien niet eenvoudig was om de beelden te bekijken, maar niet onmogelijk.
In cassatie voert de werknemer aan dat, kort samengevat, het hof het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van equality of arms heeft geschonden, nu (de advocaat van) de werknemer de beelden niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft kunnen bekijken. Verder klaagt de werknemer dat het hof ten onrechte zijn aanbod tot tegenbewijslevering heeft gepasseerd.
De Hoge Raad
De Hoge Raad stelt vast dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt dat het hof ermee bekend was dat (de advocaat van) de werknemer de door PostNL overgelegde camerabeelden wegens technische redenen niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling had kunnen bekijken (de beelden konden alleen met een speciaal programma worden afgespeeld), terwijl hij kenbaar had gemaakt dat wel te willen.
Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat om de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) te waarborgen het hof – dat zijn oordeel over het ontslag op staande voet mede op de tijdens de mondelinge behandeling getoonde camerabeelden heeft gebaseerd – genoegzame maatregelen had moeten nemen om adequate kennisneming van de volledige door PostNL overgelegde, en door het hof voorafgaand aan de zitting bekeken, camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en de werknemer in staat te stellen zich daarover uit te laten. In zoverre slaagt het cassatieberoep van de werknemer. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een uitspraak uit 2003 (rov. 3.5), waar al een soortgelijke regel werd gegeven.
De werknemer klaagt verder over het oordeel van het hof dat sprake is van een zodanige mate van aannemelijkheid dat de werknemer de goederen heeft weggenomen, dat verdere bewijslevering niet aan de orde is. Volgens de werknemer is het hof met dit oordeel onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan aan zijn aanbod tot het leveren van tegenbewijs.
Ook deze klacht slaagt. De werknemer heeft in hoger beroep tegenbewijs aangeboden, onder meer door het horen van getuigen. Het hof heeft volgens de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd dat aan dit aanbod voorbij kon worden gegaan.
De conclusie van A-G De Bock
Waar de Hoge Raad met een betrekkelijk korte motivering oordeelt dat de klachten slagen, concludeerde A-G De Bock met een uitvoerige motivering tot verwerping. Tegenovergesteld aan het oordeel van de Hoge Raad dus. De A-G is, wat betreft de camerabeelden, uitgegaan van hetzelfde kader als waarvan de Hoge Raad is uitgegaan (onder verwijzing naar de uitspraak uit 2003), namelijk dat werknemer in voldoende mate in de gelegenheid moet zijn geweest om adequaat te kunnen reageren op de camerabeelden van PostNL. Volgens de A-G is dat echter ook het geval geweest.
De A-G somde daartoe vijf redenen op die sterk verband houden met de feitelijke gang van zaken in deze procedure. De eerste reden is dat vaststaat dat de camerabeelden voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep door PostNL tijdig in het geding zijn gebracht, en dat de camerabeelden (inclusief het benodigde afspeelprogramma) zowel het hof als de advocaat van de werknemer ook tijdig hebben bereikt. Ten tweede staat vast dat het niet zo is dat de werknemer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst de camerabeelden zag, en voorafgaand daaraan in het geheel geen kennis zou hebben gehad van wat er te zien is op de camerabeelden. Zo waren de beelden ook al tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter bekeken. Ten derde kan niet worden aangenomen dat het (technisch) niet mogelijk was de beelden te bekijken. Het hof was er wel in geslaagd de beelden te bekijken. Ten vierde staat vast dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de camerabeelden uitgebreid zijn vertoond en besproken. Werknemer en zijn advocaat hebben toen ook gereageerd op de vertoonde beelden. In de vijfde plaats staat vast dat van de zijde van de werknemer geen bezwaar is gemaakt tegen het vertonen van de camerabeelden tijdens de mondelinge behandeling, noch voorafgaand daaraan noch tijdens de mondelinge behandeling.
Wat die laatste reden betreft, merkte de A-G nog op dat dat op zichzelf niet doorslaggevend is (onder 5.23). Op de rechter rust de taak om ambtshalve te bewaken of het beginsel van hoor en wederhoor in acht wordt genomen. Ook als een partij zelf niet (direct) klaagt over schending van het beginsel, kan er aanleiding zijn voor de rechter om in te grijpen en processuele maatregelen te nemen om te zorgen dat recht wordt gedaan aan het beginsel. In voorkomende gevallen kan de rechter, om recht te doen aan het beginsel van hoor en wederhoor, een partij in de gelegenheid stellen nog een akte te nemen of de zitting aanhouden. Maar er moet wel aanleiding zijn voor de rechter om hiertoe over te gaan. In de voorliggende zaak was dat volgens de A-G niet het geval. Gelet op alle feiten en omstandigheden, mocht het hof volgens haar redelijkerwijs aannemen dat de werknemer zich in voldoende mate heeft kunnen uitlaten over de camerabeelden.
Uit het gegeven dat de Hoge Raad ondanks de voorgaande vijf redenen (die de cassatieblogger valide voorkomen) overgaat tot vernietiging, mag worden afgeleid dat de rechterlijke verplichting waarover het hier gaat, vergaand is.
Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof, en verwijst de zaak naar een ander hof. Dat is tegengesteld aan de conclusie van A-G De Bock.