Selecteer een pagina

HR 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1493

Schade door schending van de zorgplicht bij een effectenleaseovereenkomst kan ook aan de aanbieder worden toegerekend als de afnemer aan het einde van de looptijd de effecten overneemt. Voor die toerekening maakt het geen verschil hoe de afnemer zijn verlies neemt.

De casus

Eiser heeft bij Dexia een effectenleaseovereenkomst gesloten, waarbij Dexia haar zorgplicht heeft geschonden. Eiser is niet gebonden aan de WCAM-overeenkomst die het hof Amsterdam in 2007 algemeen verbindend heeft verklaard, omdat hij een opt out-verklaring heeft uitgebracht. Hij vordert in deze procedure schadevergoeding. Volgens eiser bestaat zijn schade onder meer uit de betalingsverplichting die hij aan het einde van de looptijd van zijn overeenkomst aan Dexia had, EUR 23.379, verminderd met de waarde van de effecten op dat moment van EUR 8.034.

Anders dan vaak het geval is heeft eiser de effecten aan het eind van de looptijd van zijn overeenkomst niet verkocht en de opbrengst verrekend met de openstaande schuld. Eiser heeft de effecten overgenomen en heeft zijn betalingsverplichting geheel uit andere middelen voldaan.

De verschillende opvattingen van de hoven

De gerechtshoven gingen verschillend om met zulke gevallen. De hoven Den Bosch, Den Haag en Arnhem-Leeuwarden onderschrijven het standpunt van eiser dat ook een afnemer die de effecten aan het eind van de looptijd overneemt recht heeft op schadevergoeding. Het hof Amsterdam, waar deze zaak speelde, kende in zulke gevallen echter geen schadevergoeding toe. Volgens het hof Amsterdam kan de schade van een afnemer als eiser namelijk niet als een gevolg worden toegerekend aan enige gedraging van Dexia, zoals art. 6:98 BW verlangt. De schade zou in zo’n geval geheel voortvloeien uit de eigen keuze van de belegger om de effecten over te nemen, welke beslissing voor het risico van de afnemer komt. Kennelijk heeft die belegger besloten om de kans te aanvaarden dat de effecten in waarde zouden stijgen en dat die waardestijging het bedrag van de (fictieve) restschuld minimaal zou compenseren, zo redeneerde het hof Amsterdam.

De Hoge Raad

De Hoge Raad deelt de opvatting van de drie andere hoven. Hij overweegt dat eiser wel een financieel nadeel heeft geleden, omdat de effecten bij de afwikkeling van de overeenkomst een lagere waarde vertegenwoordigden dan het bedrag dat eiser aan Dexia moest betalen. Dit nadeel staat in voldoende verband met Dexia’s zorgplichtschending om op grond van art. 6:98 BW aan Dexia te kunnen worden toegerekend. Als eiser de leaseovereenkomst niet was aangegaan, zou hij aan het einde daarvan immers ook niet gehouden zijn geweest om ‘zijn verlies te nemen’. Het maakt voor de toerekening van de schade geen verschil of eiser dit verlies heeft genomen door de aandelen te verkopen en uit de opbrengst een deel van zijn schuld aan Dexia af te lossen of dat hij die schuld uit andere middelen heeft betaald en de effecten zelf heeft overgenomen. In beide gevallen leidt de zorgplichtschending door Dexia ertoe dat de afnemer nadeel leidt op het moment van afwikkeling van de overeenkomst en is er grond om dit nadeel op de voet van art. 6:98 BW aan Dexia toe te rekenen. Waardeontwikkelingen van de effecten na dit tijdstip kunnen daarin geen wijziging brengen, omdat op dit tijdstip de schadeplichtigheid van Dexia een gegeven is.

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag. Deze afdoening is in lijn met de conclusie van plv. P-G Wissink.

Share This

Cassatieblog.nl