Selecteer een pagina

HR 16 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1685

(1) De aanspraak van de verpachter op overdracht van fosfaatrechten door de pachter op grond van de ASR/Qualm-regel is pas opeisbaar bij het einde van de pachtverhouding, en niet reeds bij het einde van de (oorspronkelijke) pachtovereenkomst.

(2) De ASR/Qualm-regel is van overeenkomstige toepassing bij (agrarische) erfpachtovereenkomsten. Bij erfpacht kan echter niet van de regel worden uitgegaan, indien partijen het risico op het ontstaan van dergelijke productierechten in de hoogte van de canon hebben verdisconteerd.

Fosfaatrechten, pacht en de ASR/Qualm-regel

Sinds 2018 moeten veehouders op grond van de Meststoffenwet beschikken over voldoende fosfaatrechten voor de mestproductie van hun vee. Die fosfaatrechten zijn overdraagbaar en vrij verhandelbaar. Bij de invoering van dit stelsel is aan bestaande veehouders – om niet – een bepaalde hoeveelheid fosfaatrechten toegekend op basis van de omvang van hun veestapel.

Als een veehouder bedrijfsmiddelen zoals grond of gebouwen van een ander had gepacht, kon dit nadelig uitpakken voor de verpachter. De fosfaatrechten zijn namelijk niet grondgebonden en werden toegekend aan de pachter als exploitant. Na afloop van de pachtovereenkomst kan de verpachter zijn bedrijfsmiddelen zónder die fosfaatrechten mogelijk minder goed zelf exploiteren of aan een ander verpachten. Zoals A-G Valk in zijn conclusie uitlegt, moet men immers een over een toereikende hoeveelheid fosfaatrechten beschikken om met die bedrijfsmiddelen een veehouderij van vergelijkbare omvang als voorheen te kunnen exploiteren. De meerkosten die dat meebrengt voor een volgende pachter, drukken de waarde van het agrarisch onroerend goed.

Als eigendom en exploitatie van de veehouderij zich in dezelfde hand bevonden, was dat in zoverre niet problematisch dat de marktwaarde van de (om niet) toegekende fosfaatrechten een mogelijke waardedaling van het onroerend goed als het ware compenseert. Maar daarvan was bij lopende pachtverhoudingen dus geen sprake. Partijen zullen in hun pachtovereenkomst vaak ook geen rekening hebben gehouden met die ontwikkeling.

Daarom heeft de pachtkamer van het hof Arnhem-Leeuwarden in het arrest ASR/Qualm aanvaard dat, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, de redelijkheid en billijkheid een verplichting voor de pachter meebrengen om de aan hem toegekende en aan het verpachte toe te rekenen fosfaatrechten bij het einde van de pacht over te dragen aan de verpachter. Dit tegen vergoeding door de verpachter van de helft van de marktwaarde van die rechten.

De rechtvaardiging hiervoor is volgens de pachtkamer, naast de omstandigheid dat het onroerend goed na het einde van de pacht potentieel minder goed is te exploiteren, dat de verpachter door langdurig bedrijfsmiddelen ter beschikking te stellen aan de bedrijfsvoering van de pachter in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend.

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2023 deze ‘algemene regel van aanvullend recht op grond van art. 6:248 lid 1 BW’ bevestigd, met de kanttekening dat de bijzondere omstandigheden van het geval tot een afwijking kunnen nopen (zie CB 2023-176).

Ook bij erfpacht? En wanneer is de aanspraak opeisbaar?

De onderhavige zaak betreft een proefprocedure tussen de Staat als erfverpachter en een erfpachter, met als doel te verduidelijken of de verplichting om fosfaatrechten over te dragen ook geldt als de grond op basis van een recht van erfpacht in gebruik is gegeven. Om een antwoord op die vraag te krijgen, hadden partijen de zaak rechtstreeks – bij wege van prorogatie – aan het gerechtshof voorgelegd.

Het hof is aan beantwoording van die vraag echter niet toegekomen, omdat in dit geval de erfpachter het gebruik van de grond heeft voortgezet na het verstrijken van de duur van het oorspronkelijke erfpachtrecht. De Staat heeft de grond daarna opnieuw in erfpacht uitgegeven aan dezelfde erfpachter. Volgens het hof stond dit reeds in de weg aan toepassing van de ASR/Qualm-regel: dat zou eerst bij het eindigen van het feitelijk gebruik aan de orde kunnen zijn.

Hetzelfde hof heeft later – in een andere zaak – geoordeeld dat de ASR/Qualm-regel in beginsel niet van overeenkomstige toepassing is bij erfpacht, tenzij de erfverpachter aantoont dat de voorwaarden van de erfpacht (en in het bijzonder de hoogte van de canon) voor hem niet materieel gunstiger zijn dan de dwingendrechtelijke bepalingen die bij pachtovereenkomsten gelden.

In de onderhavige zaak verduidelijkt de Hoge Raad het bereik van de ASR/Qualm-regel op beide punten.

Wat het moment van opeisbaarheid betreft, overweegt de Hoge Raad dat de regel zijn grond mede vindt in de omstandigheid dat het onroerend goed van de verpachter zonder fosfaatrechten minder goed is te exploiteren. Die omstandigheid doet zich niet eerder voor dan bij het einde van de pachtverhouding en dus niet al bij het einde van de oorspronkelijke pachtovereenkomst, indien partijen de pachtverhouding daarna met een nieuwe pachtovereenkomst voortzetten. De aanspraak van de verpachter op overdracht van fosfaatrechten is, zo oordeelt de Hoge Raad, dan ook pas opeisbaar bij het einde van de pachtverhouding.

Wat toepasselijkheid van de regel bij erfpacht betreft, kiest de Hoge Raad in een overweging ten overvloede voor een andere koers dan het hof. De ratio van de regel gaat ook op bij agrarische erfpacht en de verschillen tussen pacht en erfpacht rechtvaardigen zijns inziens ook niet een andere benadering. De ASR/Qualm-regel is dus in beginsel van overeenkomstige toepassing bij erfpachtovereenkomsten. Dat leidt volgens de Hoge Raad wel uitzondering als partijen bij het vestigen van de erfpacht het risico op het ontstaan van productierechten en de gevolgen daarvan voor de erfverpachter hebben verdisconteerd in de hoogte van de canon.

 Afdoening

De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep. Die beslissing is in lijn met de conclusie en aanvullende conclusie van A-G Valk.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema.

Cassatieblog.nl