Selecteer een pagina
Een ondergrens in een verplichtstellingsbesluit zonder expliciet hoofdzaakcriterium

Een ondergrens in een verplichtstellingsbesluit zonder expliciet hoofdzaakcriterium

Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795

Het verplichtstellingsbesluit van de Bpf MITT voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat. Lees meer…

Rechterlijke bevoegdheid bij aansprakelijkheidsprocedure na mededingingsinbreuk

Rechterlijke bevoegdheid bij aansprakelijkheidsprocedure na mededingingsinbreuk

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814

Volgens rechtspraak van het HvJEU worden een dochtermaatschappij en een moedermaatschappij die daarin (nagenoeg) alle aandelen houdt voor de toepassing van de mededingingsregels als één onderneming gezien. Dat werkt ook door in de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een vordering tot aansprakelijkheid wegens overtreding van de mededingingsregels: die kan worden aangebracht bij de rechter van het land waar één van beiden woonplaats heeft (art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis). De rechter kan alleen dan geen bevoegdheid aannemen als op voorhand uitgesloten is dat de moedermaatschappij beslissende invloed had op de dochtermaatschappij. Lees meer…

Cassatievlog #165 | Hoe moet bij de toepassing van art. 4:71 BW een voorwaardelijke making worden gewaardeerd?

Cassatievlog #165 | Hoe moet bij de toepassing van art. 4:71 BW een voorwaardelijke making worden gewaardeerd?

Hoge Raad 29 mei 2026,  ECLI:NL:HR:2026:813

Erflater heeft in zijn testament een zogenoemde tweetrapsmaking opgenomen. Hij heeft zijn zoon benoemd tot erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde van diens faillissement en zijn kleinkinderen onder de spiegelbeeldige opschortende voorwaarde van het faillissement van de zoon, tevens hun vader. Op het moment van overlijden is de zoon al failliet en gaat de erfenis daarom direct naar de kleinkinderen. Kan nu toch de bewindvoerder in (inmiddels) de schuldsanering van de zoon aanspraak maken op de legitieme portie? Jerre de Jong bespreekt in vier minuten het arrest.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #165 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Causaal verband en beroepsaansprakelijkheid van een notaris

Causaal verband en beroepsaansprakelijkheid van een notaris

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:225 (hoofdzaak) en HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:238 (vrijwaringszaak)

Slagende motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof dat de verkoper onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mondeling een winstrecht bij verkoop van een gedeelte van panden, die deel uitmaakten van het vermogen van een vennootschap, met de kopers van zijn aandelen is overeengekomen en tegen de verwerping van het hof van het betoog dat de verkoper de kans op een beter resultaat is ontnomen doordat de notarissen hun zorgplicht niet hebben nageleefd. Lees meer…

Aansprakelijkheid Staat voor inverzekeringstelling minderjarige verdachte

Aansprakelijkheid Staat voor inverzekeringstelling minderjarige verdachte

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679

De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. Lees meer…

Cassatievlog # 164 | Dwaling en bancaire zorgplicht bij renteswaps

Cassatievlog # 164 | Dwaling en bancaire zorgplicht bij renteswaps

Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:793

Op 22 mei 2026 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dwaling en de bancaire zorgplicht bij het aangaan van renteswaps. De Hoge Raad oordeelt hierin dat er geen algemene verplichting bestaat om een interne verwachting over de ontwikkeling van de rente aan de klant mee te delen, maar dat daarvoor in dit geval mogelijk wel aanleiding bestond. Ook neemt de Hoge Raad afstand van het begrip ‘bijzondere’ zorgplicht. Monique Hazelhorst bespreekt in drie minuten deze uitspraak.

 

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

 

Cassatievlog #164 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Vaststelling Nederlanderschap: bezit van staat vs. kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde

Vaststelling Nederlanderschap: bezit van staat vs. kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde

Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:510

Het bezit van staat (art. 1:209 BW) biedt geen bescherming bij een buitenlandse geboorteakte die een door geboorte ontstane familierechtelijke betrekking vastlegt die voortvloeit uit een huwelijk, als dit huwelijk in Nederland vanwege het polygame karakter kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (10:32 BW) en daarom niet kan worden erkend. Lees meer…

Inbreuk mededingingsrecht van dochtermaatschappij onrechtmatig jegens moedermaatschappij?

Inbreuk mededingingsrecht van dochtermaatschappij onrechtmatig jegens moedermaatschappij?

HR 10 april 2026 ECLI:NL:HR:2026:596

Deze uitspraak gaat over de verdeling van aansprakelijkheid binnen een onderneming voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels. Deze verdeling is een kwestie van nationaal recht. Een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij is niet zonder meer onrechtmatig jegens haar moedermaatschappij, zo oordeelt de Hoge Raad. Lees meer…

Onbemand tankstation is geen ‘gebouwde onroerende zaak’ in de zin van art. 7:290 BW

Onbemand tankstation is geen ‘gebouwde onroerende zaak’ in de zin van art. 7:290 BW

HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:552

Het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ uit art. 7:290 BW moet op dezelfde manier worden uitgelegd als datzelfde begrip uit art. 7:230a BW. De uitleg die de Hoge Raad aan dat begrip heeft gegeven in de Landingsbaan-beschikking geldt dus ook het kader van art. 7:290 BW.
In deze zaak oordeelt dat de Hoge Raad dat een onbemand tankstation dat niet een gebouw is en waarvan geen verkoopruimte deel uitmaakt in beginsel niet kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl