Stelplicht en bewijslast bij misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU)
Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:847
De partij die beweert dat een inbreuk is gemaakt op art. 102 VWEU, draagt de bewijslast van die inbreuk. In beginsel kan deze partij niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen. Lees meer…
Cassatievlog #166 | Geen misbruik machtspositie door HP
Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:847
In deze cassatievlog bespreekt Jellis Jansen in 4 minuten het arrest van de Hoge Raad in de zaak tussen Digital Revolution en HP. De zaak draait om de software die HP gebruikt om te bepalen welke inktcartridges wel en niet werken met HP-printers. Verkoper van huismerkcartridges, Digital Revolution, meent dat HP misbruik maakt van haar machtspositie en partijen beschuldigen elkaar over en weer van misleidende en oneerlijke handelspraktijken. In het arrest gaat de Hoge Raad in op de verdeling en omvang van de stelplicht en bewijslast bij een beroep op schending van het mededingingsrecht.
Cassatievlog #166 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Een ondergrens in een verplichtstellingsbesluit zonder expliciet hoofdzaakcriterium
Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795
Het verplichtstellingsbesluit van de Bpf MITT voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat. Lees meer…
Rechterlijke bevoegdheid bij aansprakelijkheidsprocedure na mededingingsinbreuk
HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814
Volgens rechtspraak van het HvJEU worden een dochtermaatschappij en een moedermaatschappij die daarin (nagenoeg) alle aandelen houdt voor de toepassing van de mededingingsregels als één onderneming gezien. Dat werkt ook door in de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een vordering tot aansprakelijkheid wegens overtreding van de mededingingsregels: die kan worden aangebracht bij de rechter van het land waar één van beiden woonplaats heeft (art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis). De rechter kan alleen dan geen bevoegdheid aannemen als op voorhand uitgesloten is dat de moedermaatschappij beslissende invloed had op de dochtermaatschappij. Lees meer…
Cassatievlog #165 | Hoe moet bij de toepassing van art. 4:71 BW een voorwaardelijke making worden gewaardeerd?
Hoge Raad 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:813
Erflater heeft in zijn testament een zogenoemde tweetrapsmaking opgenomen. Hij heeft zijn zoon benoemd tot erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde van diens faillissement en zijn kleinkinderen onder de spiegelbeeldige opschortende voorwaarde van het faillissement van de zoon, tevens hun vader. Op het moment van overlijden is de zoon al failliet en gaat de erfenis daarom direct naar de kleinkinderen. Kan nu toch de bewindvoerder in (inmiddels) de schuldsanering van de zoon aanspraak maken op de legitieme portie? Jerre de Jong bespreekt in vier minuten het arrest.
Cassatievlog #165 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Causaal verband en beroepsaansprakelijkheid van een notaris
HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:225 (hoofdzaak) en HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:238 (vrijwaringszaak)
Slagende motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof dat de verkoper onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mondeling een winstrecht bij verkoop van een gedeelte van panden, die deel uitmaakten van het vermogen van een vennootschap, met de kopers van zijn aandelen is overeengekomen en tegen de verwerping van het hof van het betoog dat de verkoper de kans op een beter resultaat is ontnomen doordat de notarissen hun zorgplicht niet hebben nageleefd. Lees meer…
Grenzen aan het verrichten van werkzaamheden voor ‘derden’ door het CBS
HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:406
Het CBS mag op grond van zijn wettelijke taak slechts incidenteel werkzaamheden voor derden verrichten. Ook overheden kunnen ‘derden’ zijn. Het is niet juist dat werkzaamheden voor derden alle werkzaamheden zijn die niet worden gefinancierd vanuit de bijdrage van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Lees meer…
Aansprakelijkheid Staat voor inverzekeringstelling minderjarige verdachte
Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679
De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. Lees meer…
Cassatievlog # 164 | Dwaling en bancaire zorgplicht bij renteswaps
Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:793
Op 22 mei 2026 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dwaling en de bancaire zorgplicht bij het aangaan van renteswaps. De Hoge Raad oordeelt hierin dat er geen algemene verplichting bestaat om een interne verwachting over de ontwikkeling van de rente aan de klant mee te delen, maar dat daarvoor in dit geval mogelijk wel aanleiding bestond. Ook neemt de Hoge Raad afstand van het begrip ‘bijzondere’ zorgplicht. Monique Hazelhorst bespreekt in drie minuten deze uitspraak.
Cassatievlog #164 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Vaststelling Nederlanderschap: bezit van staat vs. kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde
Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:510
Het bezit van staat (art. 1:209 BW) biedt geen bescherming bij een buitenlandse geboorteakte die een door geboorte ontstane familierechtelijke betrekking vastlegt die voortvloeit uit een huwelijk, als dit huwelijk in Nederland vanwege het polygame karakter kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (10:32 BW) en daarom niet kan worden erkend. Lees meer…