Selecteer een pagina
Cassatievlog #020 |Prejudiciële vragen over de rechtsgevolgen van draagmoederschap

Cassatievlog #020 |Prejudiciële vragen over de rechtsgevolgen van draagmoederschap

Hoge Raad 13 mei 2022 (De wensouders), ECLI:NL:HR:2022:685

Er bestaat onduidelijkheid over de rechtsgevolgen in Nederland bij draagmoederschap in het buitenland, onder meer met betrekking tot het toepasselijk recht en de erkenning van in het buitenland vastgestelde afstemmingsrechtelijke relaties. De rechtbank Den Haag heeft hierover prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. In dit vlog bespreekt Maartje Möhring het arrest van de Hoge Raad.

Gezag van gewijsde van een nadelige beslissing bij een volledig gunstig dictum?

Gezag van gewijsde van een nadelige beslissing bij een volledig gunstig dictum?

Cassatieblog HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683 (X/Stichting Rederij De Drie Geuzen)

Wanneer de afwijzing van een vordering of verzoek van de wederpartij berust op een voor de gedaagde of verweerder nadelige beslissing, krijgt die beslissing bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak, gezag van gewijsde. De gedaagde of verweerder heeft in dat geval voldoende belang bij een rechtsmiddel tegen die uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij. Lees meer…

De rechtsgevolgen van draagmoederschap

De rechtsgevolgen van draagmoederschap

HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:685

De Hoge Raad ziet op dit moment af van beantwoording van prejudiciële vragen over de rechtsgevolgen van draagmoederschap in het buitenland, omdat hierover op korte termijn een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. In de tussentijd kan de rechter in een concrete zaak een beslissing nemen aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan de rechter ook overeenkomstige toepassing geven aan art. 10:100 en 10:101 BW. Lees meer…

Cassatievlog #019 | Gezag van gewijsde van nadelige dragende overweging

Cassatievlog #019 | Gezag van gewijsde van nadelige dragende overweging

HR 13 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:633

Ruben de Graaff behandelt in minder dan drie minuten een belangrijke procesrechtelijke les van de Hoge Raad: een nadelige dragende overweging kan gezag van gewijsde krijgen, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij.

 

Wvggz; aanwijzing andere zorgverantwoordelijke vraagt om uitdrukkelijke beslissing geneesheer-directeur

Wvggz; aanwijzing andere zorgverantwoordelijke vraagt om uitdrukkelijke beslissing geneesheer-directeur

HR 13 mei ECLI:NL:HR:2022:689

Ook indien de betrokkene uitsluitend klaagt over een overplaatsing naar een andere accommodatie van dezelfde zorgaanbieder, en op zichzelf geen bezwaar heeft tegen wisseling van de zorgverantwoordelijke, moet aan de vereisten van art. 8:16 Wvggz worden voldaan.  Lees meer…

Zijn de kosten van vervanging van asbesthoudende daken bereddingskosten?

Zijn de kosten van vervanging van asbesthoudende daken bereddingskosten?

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:588

(i) Kosten van onderhoud kunnen normaal niet op de voet van art. 7:957 lid 2 BW voor rekening van de verzekeraar worden gebracht. De kosten van een maatregel die vereist is om onmiddellijk gevaar af te wenden of om de schade te beperken kunnen echter wel als zodanige bereddingskosten worden aangemerkt, ook al zouden deze kosten in andere omstandigheden tot de kosten van het normale onderhoud behoren.
(ii) Als beredding bestaat in verwijdering van de schadeveroorzakende zaak kan het zo zijn dat ook kosten van vervanging als kosten van beredding moeten worden aangemerkt, omdat de enkele verwijdering weliswaar doelmatig zou zijn, maar het verlies van de functie van die zaak redelijkerwijs niet of niet volledig voor risico van de verzekerde of verzekeringnemer behoort te komen. Lees meer…

Overgangsrecht voor erfpachtafhankelijke opstalrechten en de openbaarheid van digitale zittingen

Overgangsrecht voor erfpachtafhankelijke opstalrechten en de openbaarheid van digitale zittingen

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:628 (X / Stichting Het Utrechts Landschap)

(i) Een digitale zitting is niet naar zijn aard niet openbaar. Het beperken van de openbaarheid van een zitting – door slechts enkele mensen digitaal toe te laten – is niet in strijd met art. 6 EVRM en art. 121 van de Grondwet.
(ii) Het vergoedingsrecht voor erfpachtafhankelijke opstalrechten op grond van art. 5:105 lid 3 BW in samenhang met art. 5:99 BW geldt ook voor afhankelijke opstalrechten die vóór 1 januari 1992 bestonden.  Lees meer…

Ontvankelijkheid van een bij verzetexploot ingestelde reconventionele vordering bij niet ontvankelijkheid van het verzet

Ontvankelijkheid van een bij verzetexploot ingestelde reconventionele vordering bij niet ontvankelijkheid van het verzet

HR 22 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:585

Als een partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in een door haar ingesteld verzet tegen een verstekvonnis, kan een in het verzet-exploot ingestelde vordering in reconventie onder omstandigheden alsnog worden beoordeeld door de rechter. Daarvoor is nodig dat de betrokken partij te kennen geeft in geval van niet-ontvankelijkheid in het verzet toch beoordeling van haar vordering te wensen. In dat geval kan het exploot worden aangemerkt als een gewone dagvaarding, die een nieuwe procedure inluidt. Lees meer…

Cassatievlog #018 | Letselschade en toerekening

Cassatievlog #018 | Letselschade en toerekening

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590

In een televisie-uitzending over de verduistering van een grote partij sloten is een meneer met een verborgen camera in beeld gebracht en neergezet als de heler van de gestolen sloten. Later is gebleken dat dit niet juist was: de sloten die meneer verkocht, waren niet afkomstig van de diefstal, maar van een brandschade. De meneer zegt door deze uitzending onder meer psychische klachten te hebben opgelopen. Hij stelt daarvoor het omroepbedrijf en de producent van het programma aansprakelijk.

In de gerechtelijke procedure die hierop volgt, komt vast te staan dat hun handelen onrechtmatig is geweest. En ook komt vast te staan dat de psychische schade van meneer het gevolg is van de bewuste uitzending, dus van het onrechtmatige handelen. In de cassatieprocedure gaat het met name nog om de vraag in hoeverre die psychische schade aan de veroorzakers daarvan kan worden toegerekend. Berend-Bram Heinen bespreekt in dit cassatievlog in 3 minuten het arrest van de Hoge Raad.

 

Aanvang van de verjaringstermijn bij een vordering tot schadevergoeding

Aanvang van de verjaringstermijn bij een vordering tot schadevergoeding

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627

Een vordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het gaat hier om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van schade of van welke persoon voor de schade aansprakelijk is, volstaat niet. Lees meer…

Archief