Wet Bopz: een tuinpas met gevolgen, over huisregels en individuele beperkingen

Wet Bopz: een tuinpas met gevolgen, over huisregels en individuele beperkingen

HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1282

De mondeling meegedeelde algemene beperking van het recht op toegang tot de binnentuin komt niet voor in de schriftelijk vastgelegde huisregels van het ziekenhuis; daarom kan deze beperking niet worden gelijkgesteld met een huisregel in de zin van art. 37 Wet Bopz. Lees meer…

Rechtsmiddel tegen de verbetering van een kennelijke fout in een uitspraak

Rechtsmiddel tegen de verbetering van een kennelijke fout in een uitspraak

HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279

Tegen de verbetering van een kennelijke fout in een uitspraak staat op grond van artikel 31 lid 4 Rv geen voorziening open. Een cassatieberoep tegen een verbeteringsbeschikking is desondanks ontvankelijk als wordt aangevoerd dat de rechter buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als er debat mogelijk is over de ‘fout’ in de uitspraak en er dus geen sprake is van een kennelijke fout die zich eenvoudig voor herstel leent. Daarnaast dient een rechter partijen altijd in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over een verbetering van de uitspraak. Dat is ten onrechte niet gebeurd in deze zaak. Lees meer…

Werkgever mag eigen personeel inzetten om werkzaamheden van stakend personeel over te nemen

Werkgever mag eigen personeel inzetten om werkzaamheden van stakend personeel over te nemen

HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1245

Een werkgever mag eigen personeel inzetten om de werkzaamheden van stakend personeel over te nemen, zelfs als de werknemers die worden ingezet betere arbeidsvoorwaarden hebben en buiten het conflict staan en daarbij geen belang hebben. De werkgever handelt alsdan niet in strijd met het onderkruipersverbod en in beginsel evenmin onrechtmatig of in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Lees meer…

Hof moet toelichten waarom in het eindarrest is afgeweken van de motivering uit het tussenarrest

Hof moet toelichten waarom in het eindarrest is afgeweken van de motivering uit het tussenarrest

HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1276

In het licht van wat partijen over en weer hebben aangevoerd heeft het hof niet voldoende gemotiveerd waarom het in het eindarrest is afgeweken van de motivering uit het tussenarrest. Dat het hof niet gebonden was aan de in het tussenarrest neergelegde overwegingen, nu daarin geen bindende eindbeslissingen waren vervat, doet daar niet aan af. Als het hof in het eindarrest een andere richting wilde inslaan dan in het tussenarrest, had het moeten toelichten waarom daarvoor is gekozen. Lees meer…

Wet Bopz – opnieuw: steeds nieuwe beoordeling dwangbehandeling bij overplaatsing naar ander psychiatrisch ziekenhuis

Wet Bopz – opnieuw: steeds nieuwe beoordeling dwangbehandeling bij overplaatsing naar ander psychiatrisch ziekenhuis

HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1277

Bij dwangbehandeling op grond van het ‘externe gevaarscriterium’ (art. 38c, lid 1 onder a Wet Bopz)  dient er na een overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis  opnieuw een beoordeling door de behandelaar in het andere ziekenhuis omtrent de dwangbehandeling plaats te vinden. Dit geldt ook indien er sprake is van overplaatsing naar een andere vestiging van dezelfde zorginstelling. Lees meer…

Reikwijdte uitsluiting cassatieberoep in kinderontvoeringszaken; bevoegdheid Nederlandse rechter in niet-verdragszaken

Reikwijdte uitsluiting cassatieberoep in kinderontvoeringszaken; bevoegdheid Nederlandse rechter in niet-verdragszaken

HR 5 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1085

De uitsluiting van cassatieberoep in art. 13 lid 8 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (Uwik) ziet niet op een beslissing dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van een verzoek tot gedwongen afgifte en teruggeleiding van het kind. In een niet-verdragszaak kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden gebaseerd op art. 3, aanhef en onder a, Rv. Lees meer…

Wet Bopz: na cassatie ex tunc; algemeen: van enkelvoudige naar meervoudige kamer

Wet Bopz: na cassatie ex tunc; algemeen: van enkelvoudige naar meervoudige kamer

HR 12 juli ECLI:NL:HR:2019:1202

Indien een enkelvoudige kamer het voornemen heeft de zaak na de mondelinge behandeling voor de beslissing te verwijzen naar een meervoudige kamer, kan zij dit al bij de behandeling aan partijen meedelen en kan zij erop wijzen dat, in het geval van die verwijzing, partijen kunnen verzoeken om (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer. Partijen kunnen dan desgewenst tijdens de behandeling op voorhand afstand doen van het gebruik van die mogelijkheid.

Deze uitspraak bevat een verdere uitwerking van de regels voor behandeling door de enkelvoudige en meervoudige kamer. Daaraan vooraf gaat een beslissing over wat na cassatie en verwijzing in een zaak in het kader van de Wet Bopz. Lees meer…

Wet Bopz: termijnen na cassatie en verwijzing; deskundigenonderzoek

Wet Bopz: termijnen na cassatie en verwijzing; deskundigenonderzoek

HR 28 juni 2019 ECLI:NL:HR:2019:1054

In beginsel moet binnen vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad een mondelinge behandeling plaatsvinden, en de rechtbank moet in beginsel binnen vier weken na die mondelinge behandeling beslissen op het verzoek van de officier van justitie, dan wel de zaak aanhouden met het oog op een nader deskundigenonderzoek. Lees meer…

Hoge Raad geeft duidelijkheid over aanvangstermijn uit artikel 5:130 lid 2 BW

Hoge Raad geeft duidelijkheid over aanvangstermijn uit artikel 5:130 lid 2 BW

HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1022

Artikel 5:130 lid 2 BW bepaalt dat een verzoek tot vernietiging van een besluit van een VvE binnen een maand moet worden gedaan ná de dag waarop verzoeker van het besluit kennis heeft genomen of kennis heeft kunnen nemen. In deze zaak heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag wanneer voornoemde termijn van een maand gaat lopen. Kort gezegd, hangt dat af van de omstandigheden van het geval. Als het gebruikelijk is dat de besluiten van een VvE worden verspreid (bijv. per e-mail) vangt de termijn aan vanaf het moment waarop die bekendmaking heeft plaatsgevonden. Is het niet gebruikelijk dat de besluiten worden verspreid, dan mag van een verzoeker in beginsel worden verwacht dat hij binnen een week na de vergadering informatie inwint over de besluiten. De termijn uit artikel 5:130 lid 2 BW begint dan te lopen uiterlijk op de dag na het einde van die week. Lees meer…

Eisvermindering in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging kan niet besloten liggen in een verklaring ter comparitie

Eisvermindering in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging kan niet besloten liggen in een verklaring ter comparitie

HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997

Vermindering van de eis in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging kan niet besloten liggen in een verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient plaats te vinden bij conclusie of akte, welke akte ook daarin kan bestaan dat de procesvertegenwoordiger ter comparitie mondeling akte verzoekt van een vermindering van eis. Indien echter intrekking van vorderingen een vorm van afstand van recht zou inhouden, geldt daarvoor de eis dat sprake moet zijn van een verklaring die op de aan afstand van recht verbonden rechtsgevolgen is gericht. Daarbij mag in het algemeen worden aangenomen dat een eisende partij die haar eis wijzigt, niet zal wensen dat in het geheel geen eis resteert in het geval de eiswijziging niet wordt toegelaten. De rechter dient in dat geval te onderzoeken of met de wijziging van de vorderingen de bestaande vorderingen onvoorwaardelijk heeft willen prijsgeven. Lees meer…