Mag een werkloosheidsuitkering meewegen bij het berekenen van een billijke vergoeding?
HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193
Bij de berekening van een billijke vergoeding na het eindigen van een arbeidsovereenkomst kan de rechter betrekken of de werknemer recht zou hebben op een WW-uitkering. Of het redelijk is om daarmee rekening te houden, en in welke mate, hangt af van de omstandigheden van het geval in het licht van wat partijen daarover hebben aangevoerd. Lees meer…
Prejudiciële vragen: wettelijke rente en wettelijke verhoging over loon na faillissement
HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:239
De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over de wettelijke rente en de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 BW in geval van niet-tijdige voldoening van loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld moet worden aangemerkt.
Ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het hiervoor bedoelde loon zijn op hun beurt aan te merken als (concurrente respectievelijk preferente) boedelschuld. Niet van belang is of de werknemer ter zake van dat loon ook jegens het UWV recht heeft op een uitkering op grond van de loongarantieregeling. Een behoorlijke taakuitoefening door de curator kan meebrengen dat hij werknemers attendeert op deze aanspraken jegens de boedel. Lees meer…
Reisorganisator niet aansprakelijk voor schade ontstaan door ongeval tijdens zeilreis
HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:57
Het oordeel van het hof dat eiseres zou deelnemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken, is niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval eiseres overkwam bij het maken van de promotiefilm. Lees meer…
Uiterste moment voor instellen vordering tot voeging in cassatie
HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1888
Bij gebreke van een wettelijke bepaling over de vraag tot welk moment in de procedure een incidentele vordering tot voeging in cassatie uiterlijk kan worden ingesteld, wordt het tijdstip daarvoor bepaald door de eisen van een goede procesorde. Met het oog op een voortvarend verloop van de procedure in cassatie geldt daarbij als uitgangspunt dat een incidentele vordering tot voeging in cassatie tijdig is ingesteld indien dit gebeurt – ingeval de verweerder is verschenen – vóór of op de datum waarop de verweerder zijn verweerschrift moet indienen, dan wel – ingeval de verweerder niet is verschenen – vóór of op de datum waarop tegen de verweerder verstek wordt verleend. Lees meer…
Afslagenbeleid zorgverzekeraar: geen strijd met vrij verkeer of mededingingsrecht
HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:241
Deze zaak gaat over de vraag of Zilveren Kruis als zorgverzekeraar in strijd heeft gehandeld met het vrije verkeer van goederen of het mededingingsrecht, door een bepaald geneesmiddel volledig te vergoeden aan een zorgaanbieder als deze het inkoopt bij de fabrikant van het geneesmiddel en slechts gedeeltelijk te vergoeden – door toepassing van een afslag – als die zorgaanbieder het inkoopt bij een paralleldistributeur. De Hoge Raad bevestigt dat het afslagenbeleid niet valt binnen de reikwijdte van het vrij verkeer van goederen. De Hoge Raad verwerpt ook de op het mededingingsrecht gebaseerde cassatieklachten. Lees meer…
Exoneratiebeding netbeheerder niet onredelijk bezwarend
HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97
Het hof heeft op basis van een aantal omstandigheden geconcludeerd dat de exoneratie in art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is. Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd. Lees meer…
Verjaring van vordering tot betaling van een restschuld uit een hypotheek
HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:231
- Maandelijkse inning uit executoriaal loonbeslag is een daad van rechtsvervolging en daarmee een stuitingshandeling (art. 3:316 lid 1 BW).
- De bijzondere verjaringsregeling van art. 3:323 lid 3 BW speelt geen rol meer als het pand- of hypotheekrecht is tenietgegaan, bijvoorbeeld door uitwinning van het verbonden goed. Op een eventuele restschuld is de gewone verjaringsregeling van art. 3:307 lid 1 BW van toepassing.
Cassatievlog #156 | Afslagenbeleid zorgverzekeraar: geen strijd met vrij verkeer of mededingingsrecht
Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:241
Ruben de Graaff bespreekt het arrest van de Hoge Raad over de vraag of het afslagenbeleid van Zilveren Kruis in strijd is met het vrije verkeer van goederen of het mededingingsrecht.
Is er nadeel in de zin van artikel 6:230 BW als de omstandigheid waarover is gedwaald uiteindelijk niet is verwerkelijkt?
HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:199
Deze zaak gaat over de vraag of er nog grond is voor opheffing van dwalingsnadeel op de voet van art. 6:230 lid 2 BW, nadat duidelijk is geworden dat de mogelijke bouw van een megastal, waarover de eisers bij de koop van hun woning hebben gedwaald, niet doorgaat. De Hoge Raad oordeelt dat de uitgangspunten die het hof in dit geval aan zijn beoordeling ten grondslag heeft gelegd geen andere conclusie toelaten dan dat zulk nadeel (nog steeds) aanwezig is. Lees meer…
Bewijsleveringsregels voor een ‘trial within a trial’
HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:53
In gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen, moet de schade vastgesteld worden door (i) te beoordelen hoe beslist had behoren te worden als (tijdig) hoger beroep was ingesteld. Als dat niet mogelijk is, moet de schade (ii) geschat worden aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad.
Bij (i) de beoordeling hoe beslist had behoren te worden als (tijdig) hoger beroep was ingesteld, moet worden uitgegaan van de in die appelprocedure geldende rechtsregels, waaronder de regels met betrekking tot bewijslevering. Lees meer…