Selecteer een pagina
Wvggz: aansluitende zorgmachtiging, bezwaar tegen bepaalde vorm van verplichte zorg: beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen

Wvggz: aansluitende zorgmachtiging, bezwaar tegen bepaalde vorm van verplichte zorg: beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen

HR 5 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:843

De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging is verleend, is voldaan aan de criteria en het doel van de verplichte zorg. De rechter mag daarbij volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur ervan zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter hoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht. Lees meer…

Toetsing van de verschuldigdheid van een onherroepelijke belastingschuld van een ander

Toetsing van de verschuldigdheid van een onherroepelijke belastingschuld van een ander

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:817

(1) Formele rechtskracht staat er niet aan in de weg dat de burgerlijke rechter in een procedure tussen de Ontvanger en een derde oordeelt over de materiële verschuldigdheid van een belastingschuld van een ander, indien voor die derde tegen de belastingaanslagen geen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. De Hoge Raad onderscheidt drie gevallen waarin dit aan de orde is en komt terug van het arrest Dumatrust/Ontvanger.

(2) Niet uitgesloten is dat de Ontvanger door een belastingvordering in het faillissement in te dienen of te handhaven onrechtmatig handelt jegens een derde die door de curator voor die belastingschuld aansprakelijk is gesteld. Met het aannemen van een dergelijke onrechtmatigheid moet echter behoedzaam worden omgegaan. Lees meer…

Cassatievlog #167 | Tweeconclusieregel en niet tijdig ingediende stukken bij een 1:253a BW-verzoek

Cassatievlog #167 | Tweeconclusieregel en niet tijdig ingediende stukken bij een 1:253a BW-verzoek

Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:845

In zijn beschikking van 5 juni 2026 gaat de Hoge Raad in op de toepassing van de tweeconclusieregel en de termijn voor het indienen van stukken ex art. 87 lid 6 Rv in een procedure over vervangende toestemming op de voet van art. 1:253a BW om met een minderjarige te verhuizen. Pim Wissink bespreekt het arrest in vier minuten.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #167 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Wvggz: twee keer beroep tegen aansluitende zorgmachtiging

Wvggz: twee keer beroep tegen aansluitende zorgmachtiging

HR 5 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:838 en ECLI:NL:HR:2026:841

Na het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz en het vervallen van de eerdere machtiging kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan slechts op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. Lees meer…

Stelplicht en bewijslast bij misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU)

Stelplicht en bewijslast bij misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU)

Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:847

De partij die beweert dat een inbreuk is gemaakt op art. 102 VWEU, draagt de bewijslast van die inbreuk. In beginsel kan deze partij niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen. Lees meer…

Cassatievlog #166 | Geen misbruik machtspositie door HP

Cassatievlog #166 | Geen misbruik machtspositie door HP

Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:847

In deze cassatievlog bespreekt Jellis Jansen in 4 minuten het arrest van de Hoge Raad in de zaak tussen Digital Revolution en HP. De zaak draait om de software die HP gebruikt om te bepalen welke inktcartridges wel en niet werken met HP-printers. Verkoper van huismerkcartridges, Digital Revolution, meent dat HP misbruik maakt van haar machtspositie en partijen beschuldigen elkaar over en weer van misleidende en oneerlijke handelspraktijken. In het arrest gaat de Hoge Raad in op de verdeling en omvang van de stelplicht en bewijslast bij een beroep op schending van het mededingingsrecht.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #166 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Een ondergrens in een verplichtstellingsbesluit zonder expliciet hoofdzaakcriterium

Een ondergrens in een verplichtstellingsbesluit zonder expliciet hoofdzaakcriterium

Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795

Het verplichtstellingsbesluit van de Bpf MITT voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat. Lees meer…

Rechterlijke bevoegdheid bij aansprakelijkheidsprocedure na mededingingsinbreuk

Rechterlijke bevoegdheid bij aansprakelijkheidsprocedure na mededingingsinbreuk

HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814

Volgens rechtspraak van het HvJEU worden een dochtermaatschappij en een moedermaatschappij die daarin (nagenoeg) alle aandelen houdt voor de toepassing van de mededingingsregels als één onderneming gezien. Dat werkt ook door in de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een vordering tot aansprakelijkheid wegens overtreding van de mededingingsregels: die kan worden aangebracht bij de rechter van het land waar één van beiden woonplaats heeft (art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis). De rechter kan alleen dan geen bevoegdheid aannemen als op voorhand uitgesloten is dat de moedermaatschappij beslissende invloed had op de dochtermaatschappij. Lees meer…

Cassatievlog #165 | Hoe moet bij de toepassing van art. 4:71 BW een voorwaardelijke making worden gewaardeerd?

Cassatievlog #165 | Hoe moet bij de toepassing van art. 4:71 BW een voorwaardelijke making worden gewaardeerd?

Hoge Raad 29 mei 2026,  ECLI:NL:HR:2026:813

Erflater heeft in zijn testament een zogenoemde tweetrapsmaking opgenomen. Hij heeft zijn zoon benoemd tot erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde van diens faillissement en zijn kleinkinderen onder de spiegelbeeldige opschortende voorwaarde van het faillissement van de zoon, tevens hun vader. Op het moment van overlijden is de zoon al failliet en gaat de erfenis daarom direct naar de kleinkinderen. Kan nu toch de bewindvoerder in (inmiddels) de schuldsanering van de zoon aanspraak maken op de legitieme portie? Jerre de Jong bespreekt in vier minuten het arrest.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #165 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Causaal verband en beroepsaansprakelijkheid van een notaris

Causaal verband en beroepsaansprakelijkheid van een notaris

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:225 (hoofdzaak) en HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:238 (vrijwaringszaak)

Slagende motiveringsklachten tegen de beslissing van het hof dat de verkoper onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mondeling een winstrecht bij verkoop van een gedeelte van panden, die deel uitmaakten van het vermogen van een vennootschap, met de kopers van zijn aandelen is overeengekomen en tegen de verwerping van het hof van het betoog dat de verkoper de kans op een beter resultaat is ontnomen doordat de notarissen hun zorgplicht niet hebben nageleefd. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl