Selecteer een pagina
Aansprakelijkheid Staat voor inverzekeringstelling minderjarige verdachte

Aansprakelijkheid Staat voor inverzekeringstelling minderjarige verdachte

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:679

De burgerlijke rechter dient een bevel tot inverzekeringstelling terughoudend te toetsten, gelet op de beslissingsruimte die art. 57 lid 1 Sv biedt. Het hof had die terughoudendheid ten onrechte niet in acht genomen door een eigen oordeel te geven over de noodzaak van de inverzekeringstelling van de minderjarige betrokkene. Voor minderjarige verdachten geldt niet in het algemeen een kortere voorgeleidingstermijn dan de termijn van art. 59a lid 1 (oud) Sv. Lees meer…

Cassatievlog # 164 | Dwaling en bancaire zorgplicht bij renteswaps

Cassatievlog # 164 | Dwaling en bancaire zorgplicht bij renteswaps

Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:793

Op 22 mei 2026 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dwaling en de bancaire zorgplicht bij het aangaan van renteswaps. De Hoge Raad oordeelt hierin dat er geen algemene verplichting bestaat om een interne verwachting over de ontwikkeling van de rente aan de klant mee te delen, maar dat daarvoor in dit geval mogelijk wel aanleiding bestond. Ook neemt de Hoge Raad afstand van het begrip ‘bijzondere’ zorgplicht. Monique Hazelhorst bespreekt in drie minuten deze uitspraak.

 

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

 

Cassatievlog #164 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Vaststelling Nederlanderschap: bezit van staat vs. kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde

Vaststelling Nederlanderschap: bezit van staat vs. kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde

Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:510

Het bezit van staat (art. 1:209 BW) biedt geen bescherming bij een buitenlandse geboorteakte die een door geboorte ontstane familierechtelijke betrekking vastlegt die voortvloeit uit een huwelijk, als dit huwelijk in Nederland vanwege het polygame karakter kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde (10:32 BW) en daarom niet kan worden erkend. Lees meer…

Inbreuk mededingingsrecht van dochtermaatschappij onrechtmatig jegens moedermaatschappij?

Inbreuk mededingingsrecht van dochtermaatschappij onrechtmatig jegens moedermaatschappij?

HR 10 april 2026 ECLI:NL:HR:2026:596

Deze uitspraak gaat over de verdeling van aansprakelijkheid binnen een onderneming voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels. Deze verdeling is een kwestie van nationaal recht. Een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij is niet zonder meer onrechtmatig jegens haar moedermaatschappij, zo oordeelt de Hoge Raad. Lees meer…

Onbemand tankstation is geen ‘gebouwde onroerende zaak’ in de zin van art. 7:290 BW

Onbemand tankstation is geen ‘gebouwde onroerende zaak’ in de zin van art. 7:290 BW

HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:552

Het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ uit art. 7:290 BW moet op dezelfde manier worden uitgelegd als datzelfde begrip uit art. 7:230a BW. De uitleg die de Hoge Raad aan dat begrip heeft gegeven in de Landingsbaan-beschikking geldt dus ook het kader van art. 7:290 BW.
In deze zaak oordeelt dat de Hoge Raad dat een onbemand tankstation dat niet een gebouw is en waarvan geen verkoopruimte deel uitmaakt in beginsel niet kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak. Lees meer…

Verdeling van huurinkomsten uit een nalatenschapsgoed

Verdeling van huurinkomsten uit een nalatenschapsgoed

HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:680

Caribische zaak. Behoudens een andersluidende regeling zijn de huuropbrengsten van een nalatenschapsgoed burgerlijke vruchten waarin de erfgenamen delen naar evenredigheid van hun aandelen (art. 3:172 BW Curaçao). Met zijn oordeel dat zodanige huurinkomsten geen vruchten van de boedel zijn maar inkomsten van een gebruikende deelgenoot die het goed voor eigen rekening verhuurt, heeft het hof ofwel het voorgaande miskend, ofwel zijn oordeel dat sprake is van gebruik door een deelgenoot als bedoeld in art. 3:169 BW Curaçao onvoldoende gemotiveerd. Lees meer…

Hoor en wederhoor en equality of arms bij tonen van camerabeelden ter zitting

Hoor en wederhoor en equality of arms bij tonen van camerabeelden ter zitting

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:409

Teneinde de beginselen van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en equality of arms (art. 6 EVRM) te waarborgen had het hof – dat zijn oordeel over het ontslag op staande voet mede op de tijdens de mondelinge behandeling getoonde camerabeelden heeft gebaseerd – genoegzame maatregelen moeten nemen om adequate kennisneming van de volledige door de werkgever overgelegde, en door het hof voorafgaand aan de zitting bekeken, camerabeelden door de werknemer mogelijk te maken en de werknemer in staat te stellen zich daarover uit te laten. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl