Proces-verbaal van schikking met boetebeding vormt géén executoriale titel
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1807
Een proces-verbaal van schikking heeft slechts executoriale kracht voor vorderingen die daarin met voldoende bepaaldheid zijn omschreven. Daarvan is geen sprake als het ontstaan van de vordering afhankelijk is van bij de opstelling van het stuk onzekere, toekomstige gebeurtenissen. Lees meer…
Wanneer is sprake van een kennelijke fout
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1805
Er is in deze zaak volgens de Hoge Raad sprake van een kennelijke fout nu een in een tussenvonnis bij wijze van bindende eindbeslissing toegewezen vordering in het eindvonnis alsnog is afgewezen. De beoordeling in hoger beroep beperkt zich verder volgens de Hoge Raad, nu op grond van art. 31 lid 4 Rv geen voorziening openstaat, tot de vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond. Lees meer…
Peildatum bij ruilverkaveling
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1865
De Hoge Raad beslist in deze zaak, die nog is afgehandeld onder de oude Wet op de inrichting van het landelijk gebied (Wilg), dat de peildatum is het moment van terinzagelegging van het ontwerpruilplan. Dat wordt niet anders als daarna nog een waardestijging plaatsvindt. De ratio van dit peilmoment is volgens de Hoge Raad dat een rechthebbende aan wie andere grond wordt toebedeeld dan hij heeft ingebracht moet kunnen weten welke gevolgen het ontwerpruilplan voor hem heeft, ook in financieel opzicht. Lees meer…
Aan een grief te stellen eisen
HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899
Onder omstandigheden kan ook een verwijzing naar of herhaling van wat in eerste aanleg is aangevoerd als grief worden aangemerkt. Bepalend is of deze grond waarop de bestreden uitspraak zou moeten worden vernietigd behoorlijk naar voren is gebracht zodat die voor de rechter en de wederpartij kenbaar is. In dit geval is daarvan sprake. Lees meer…
Stuiting van verjaring en ontbinding
HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1685
De Hoge Raad verduidelijkt dat voor stuiting van de verjaring ten aanzien van een ontbindingsvordering art. 3:317 lid 2 BW geldt, ook als die vordering wordt gecombineerd met een schadevergoedingsvordering. Dit betekent dat de schriftelijke aanmaning van art. 3:317 BW binnen zes maanden moet worden gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW (zoals een dagvaarding). Nu geen stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW had plaatsgevonden, was de ontbindingsvordering in dit geval dus verjaard. Lees meer…
Verpandbaarheid van coronasteunvorderingen
HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897
Vorderingen van ondernemers op de overheid uit hoofde van coronasteunmaatregelen zijn overdraagbaar en daarmee verpandbaar. Lees meer…
Cassatievlog #151 | Kunnen coronasteunvorderingen worden verpand?
Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897
Vorderingen van ondernemers op de overheid uit hoofde van coronasteunmaatregelen (de NOW en de TVL) zijn overdraagbaar en daarmee verpandbaar. Er is volgens de Hoge Raad geen algemene regel dat de aard van geldvorderingen op de overheid uit hoofde van subsidieregelingen zich verzet tegen overdracht. Geldvorderingen uit hoofde van de NOW en de TVL hebben geen persoonlijk karakter en de aard van deze vorderingsrechten verzet zich niet tegen overdracht, ook al vloeien zij voort uit subsidieregelingen.
Merkenrecht: verhouding tussen de b-grond en de c-grond
HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1654
De Hoge Raad gaat in op de verhouding tussen de b-grond (verwarringsgevaar) en de c-grond (ongerechtvaardigd voordeel of afbreuk aan onderscheidend vermogen zonder geldige reden) in het merkenrecht, in het bijzonder met betrekking tot de voor ieder van die gronden benodigde mate van overeenstemming. Lees meer…
Art. 843a (oud) Rv: rechtsbetrekking voldoende aannemelijk?
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1812
Een inzagevordering op de voet van art. 843a (oud) Rv is alleen toewijsbaar als een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is. De verplichting van een bemiddelaar om zijn opdrachtgever ervan in kennis te stellen dat hij een persoonlijk belang had bij totstandkoming van de overeenkomst waarbij hij heeft bemiddeld (art. 7:418 lid 1 BW in verbinding met art. 7:427 BW) kan een dergelijke rechtsbetrekking opleveren. Ook de verplichting tot het afleggen van verantwoording (art. 7:403 lid 2 BW) kan een rechtsbetrekking opleveren. Lees meer…
Cassatievlog #150 | Geen vergoeding voor waardevermeerdering
Hoge Raad 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1865
Met waardevermeerdering na de peildatum kan in landinrichtingszaken in beginsel geen rekening worden gehouden. Anders kan een belanghebbende niet afwegen of bezwaar moet worden gemaakt en zou hij bovendien kunnen worden geconfronteerd met een vergoeding voor na de peildatum opgetreden waardevermeerdering. Martijn Scheltema bespreekt de uitspraak in drie minuten.
Cassatievlog #149 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.