Selecteer een pagina
Verzekeraar heeft tijdig voldaan aan kennisgevingsplicht art. 7:929 lid 1 BW

Verzekeraar heeft tijdig voldaan aan kennisgevingsplicht art. 7:929 lid 1 BW

HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321

Bij aanwijzingen dat een verzekeringsnemer zijn mededelingsplicht niet is nagekomen kan de verzekeraar nader onderzoek laten verrichten. Als dat onderzoek betrekking heeft op medische gegevens en bij het onderzoek een medisch adviseur is betrokken, kan het moment waarop de medisch adviseur informatie ontvangt in de regel niet worden aangemerkt als het moment van ontdekking door de verzekeraar als bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW. Lees meer…

Cassatievlog #157 | Verzekeraar heeft tijdig voldaan aan kennisgevingsplicht

Cassatievlog #157 | Verzekeraar heeft tijdig voldaan aan kennisgevingsplicht

Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321

In het arrest van 27 februari 2026 staat de kennisgevingsplicht van verzekeraars centraal. Indien een verzekeringsnemer zijn mededelingsplicht niet is nagekomen en de verzekeraar gevolgen wil verbinden aan deze niet-nakoming, moet de verzekeraar de verzekeringsnemer binnen twee maanden wijzen op de niet-nakoming en op de mogelijke gevolgen daarvan. In het arrest bespreekt de Hoge Raad wanneer de tweemaandentermijn gaat lopen en wat er in deze kennisgeving moet staan. Jellis Jansen bespreekt het arrest in 4 minuten.

Cassatievlog #157 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

Partijperikelen bij subjectieve cumulatie en voeging: ontvankelijkheid in en belang bij hoger beroep

Partijperikelen bij subjectieve cumulatie en voeging: ontvankelijkheid in en belang bij hoger beroep

HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:95

Wie in eerste aanleg geen (gevoegde) partij is, kan géén hoger beroep instellen. Een gevoegde partij, kan wél hoger beroep instellen, maar alleen als daarbij voldoende belang bestaat.

Een proceskostenveroordeling in eerste aanleg levert in Arubaanse zaken – net zoals in de overige Caribische delen van het Koninkrijk – niet zonder meer voldoende belang op voor hoger beroep. Lees meer…

Mag een werkloosheidsuitkering meewegen bij het berekenen van een billijke vergoeding?

Mag een werkloosheidsuitkering meewegen bij het berekenen van een billijke vergoeding?

HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193

Bij de berekening van een billijke vergoeding na het eindigen van een arbeidsovereenkomst kan de rechter betrekken of de werknemer recht zou hebben op een WW-uitkering. Of het redelijk is om daarmee rekening te houden, en in welke mate, hangt af van de omstandigheden van het geval in het licht van wat partijen daarover hebben aangevoerd. Lees meer…

Prejudiciële vragen: wettelijke rente en wettelijke verhoging over loon na faillissement

Prejudiciële vragen: wettelijke rente en wettelijke verhoging over loon na faillissement

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:239

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over de wettelijke rente en de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 BW in geval van niet-tijdige voldoening van loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld moet worden aangemerkt.

Ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het hiervoor bedoelde loon zijn op hun beurt aan te merken als (concurrente respectievelijk preferente) boedelschuld. Niet van belang is of de werknemer ter zake van dat loon ook jegens het UWV recht heeft op een uitkering op grond van de loongarantieregeling. Een behoorlijke taakuitoefening door de curator kan meebrengen dat hij werknemers attendeert op deze aanspraken jegens de boedel. Lees meer…

Partijperikelen bij subjectieve cumulatie en voeging: ontvankelijkheid in en belang bij hoger beroep

Uiterste moment voor instellen vordering tot voeging in cassatie

HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1888

Bij gebreke van een wettelijke bepaling over de vraag tot welk moment in de procedure een incidentele vordering tot voeging in cassatie uiterlijk kan worden ingesteld, wordt het tijdstip daarvoor bepaald door de eisen van een goede procesorde. Met het oog op een voortvarend verloop van de procedure in cassatie geldt daarbij als uitgangspunt dat een incidentele vordering tot voeging in cassatie tijdig is ingesteld indien dit gebeurt – ingeval de verweerder is verschenen – vóór of op de datum waarop de verweerder zijn verweerschrift moet indienen, dan wel – ingeval de verweerder niet is verschenen – vóór of op de datum waarop tegen de verweerder verstek wordt verleend. Lees meer…

Afslagenbeleid zorgverzekeraar: geen strijd met vrij verkeer of mededingingsrecht

Afslagenbeleid zorgverzekeraar: geen strijd met vrij verkeer of mededingingsrecht

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:241

Deze zaak gaat over de vraag of Zilveren Kruis als zorgverzekeraar in strijd heeft gehandeld met het vrije verkeer van goederen of het mededingingsrecht, door een bepaald geneesmiddel volledig te vergoeden aan een zorgaanbieder als deze het inkoopt bij de fabrikant van het geneesmiddel en slechts gedeeltelijk te vergoeden – door toepassing van een afslag – als die zorgaanbieder het inkoopt bij een paralleldistributeur. De Hoge Raad bevestigt dat het afslagenbeleid niet valt binnen de reikwijdte van het vrij verkeer van goederen. De Hoge Raad verwerpt ook de op het mededingingsrecht gebaseerde cassatieklachten. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl