Ambtshalve toetsing kostenbeding aan Europees consumentenrecht?
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856
Een kostenbeding in een overeenkomst tussen een juridische dienstverlener en haar cliënt hoeft niet te worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen, omdat daarover afzonderlijk is onderhandeld. Lees meer…
Cassatievlog #152 | Grenzen van rechtsstrijd na cassatie
Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:54
In deze nieuwe cassatievlog bespreekt Jellis Jansen een recent arrest van de Hoge Raad over de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. De Hoge Raad oordeelt dat het verwijzingshof een gevorderde verklaring voor recht niet alsnog kon toewijzen, nadat het oorspronkelijke hof deze vordering eerder had afgewezen en hierover in cassatie niet was geklaagd. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het verwijzingshof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, maar veroordeelt eiser tot cassatie wel in de kosten van het hoger beroep.
Cassatievlog #152 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
Verwerking van persoonsgegevens door de rechtspraak bij publicatie persbericht
HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1980
Als een gerecht bij het opstellen en publiceren van een nieuwsbericht over een rechterlijke uitspraak persoonsgegevens verwerkt, vormt de vervulling van een taak van algemeen belang in de zin van art. 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG daarvoor een grondslag. Daarvoor is van belang dat de desbetreffende verwerking van persoonsgegevens voor het vervullen van die taak noodzakelijk is. Daarnaast moet worden voldaan aan de beginselen van juistheid en minimale gegevensverwerking. Aan deze eisen is in dit geval niet voldaan. Lees meer…
Wezenlijke wijziging en ambtshalve toetsing in het aanbestedingsrecht?
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1803
Is de vervanging van een onderaannemer aan te merken als een wezenlijke wijziging in de zin van de Aanbestedingswet? Is de rechter gehouden tot ambtshalve toetsing? Lees meer…
Proces-verbaal van schikking met boetebeding vormt géén executoriale titel
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1807
Een proces-verbaal van schikking heeft slechts executoriale kracht voor vorderingen die daarin met voldoende bepaaldheid zijn omschreven. Daarvan is geen sprake als het ontstaan van de vordering afhankelijk is van bij de opstelling van het stuk onzekere, toekomstige gebeurtenissen. Lees meer…
Wanneer is sprake van een kennelijke fout
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1805
Er is in deze zaak volgens de Hoge Raad sprake van een kennelijke fout nu een in een tussenvonnis bij wijze van bindende eindbeslissing toegewezen vordering in het eindvonnis alsnog is afgewezen. De beoordeling in hoger beroep beperkt zich verder volgens de Hoge Raad, nu op grond van art. 31 lid 4 Rv geen voorziening openstaat, tot de vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond. Lees meer…
Peildatum bij ruilverkaveling
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1865
De Hoge Raad beslist in deze zaak, die nog is afgehandeld onder de oude Wet op de inrichting van het landelijk gebied (Wilg), dat de peildatum is het moment van terinzagelegging van het ontwerpruilplan. Dat wordt niet anders als daarna nog een waardestijging plaatsvindt. De ratio van dit peilmoment is volgens de Hoge Raad dat een rechthebbende aan wie andere grond wordt toebedeeld dan hij heeft ingebracht moet kunnen weten welke gevolgen het ontwerpruilplan voor hem heeft, ook in financieel opzicht. Lees meer…
Aan een grief te stellen eisen
HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899
Onder omstandigheden kan ook een verwijzing naar of herhaling van wat in eerste aanleg is aangevoerd als grief worden aangemerkt. Bepalend is of deze grond waarop de bestreden uitspraak zou moeten worden vernietigd behoorlijk naar voren is gebracht zodat die voor de rechter en de wederpartij kenbaar is. In dit geval is daarvan sprake. Lees meer…
Stuiting van verjaring en ontbinding
HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1685
De Hoge Raad verduidelijkt dat voor stuiting van de verjaring ten aanzien van een ontbindingsvordering art. 3:317 lid 2 BW geldt, ook als die vordering wordt gecombineerd met een schadevergoedingsvordering. Dit betekent dat de schriftelijke aanmaning van art. 3:317 BW binnen zes maanden moet worden gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW (zoals een dagvaarding). Nu geen stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW had plaatsgevonden, was de ontbindingsvordering in dit geval dus verjaard. Lees meer…
Verpandbaarheid van coronasteunvorderingen
HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1897
Vorderingen van ondernemers op de overheid uit hoofde van coronasteunmaatregelen zijn overdraagbaar en daarmee verpandbaar. Lees meer…