Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Vermogensrecht algemeen

Verjaring bij onjuiste of te late implementatie van Europees recht

CB 2018-83 Geplaatst op 14 mei 2018 door

HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677 (TMG/Staat)

1. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW van een vordering tot schadevergoeding wegens onjuiste implementatie van een Europese richtlijn is daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met de juridische beoordeling van de implementatie niet vereist.
2. Zolang geen juiste implementatie van een Europese richtlijn plaatsvindt, levert dit iedere dag een zelfstandige onrechtmatige daad van de Staat, zodat daarop gegronde vorderingen afzonderlijk verjaren.

Lees verder >

De verhouding tussen het instellen van vorderingen op grond van art. 3:170 en 3:171 BW

CB 2018-65 Geplaatst op 12 apr 2018 door

HR 6 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:535

(i) De regel uit art. 3:171 BW dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen/indienen van verzoekschriften ten behoeve van de gemeenschap geldt in beginsel slechts tegenover derden en niet tegenover deelgenoten, tenzij de vordering of het verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot niet in de verdeling van de gemeenschap kan worden betrokken ingevolge art. 3:184 en 3:185 BW.
(ii) Voor vorderingen tegen derden is niet vereist dat deze op de voet van art. 3:170 lid 2 BW door de deelgenoten gezamenlijk worden ingesteld, mits de deelgenoot kenbaar maakt dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel met name te noemen, deelgenoten optreedt. Lees verder >

Aanhangig = aanhangig

CB 2018-52 Geplaatst op 27 mrt 2018 door

HR 23 maart 2018 ECLI:NL:HR:2018:428

Art. 3:43 lid 1, aanhef en onder a, en slot, Bw bedreigt met nietigheid rechtshandelingen die strekken tot verkrijging door (onder meer) advocaten van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht onder welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen. Deze bepaling is slechts van toepassing indien over de betrokken goederen een geding aanhangig is in de zin van art. 125 lid 1 Rv, dat wil zeggen vanaf de dag van de dagvaarding, dan wel, in geval van digitaal procederen, de dag waarop de procesinleiding is ingediend. Lees verder >

Eigendom van elektriciteitsnet en belang bij vestiging van opstalrecht met betrekking tot bestanddelen daarvan

CB 2018-29 Geplaatst op 30 jan 2018 door

HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1 en ECLI:NL:HR:2018:12 (Chemours/Stedin)

1) Uit de parlementaire geschiedenis van art. 5:20 lid 2 BW volgt dat de vraag wat behoort tot een net waarvan een definitie in een bijzondere wet is opgenomen, dient te worden beantwoord aan de hand van die definitie in die bijzondere wet. Deze definitie geeft in zoverre uitdrukking aan de heersende verkeersopvatting betreffende de vraag wat als bestanddeel van een net aangemerkt moet worden. De eigenaar van een net heeft een rechtens te respecteren belang bij de vestiging van een opstalrecht voor bestanddelen van dit net om het aan art. 5:21 BW ontleende exclusieve gebruiksrecht van de eigenaar van de grond te doorbreken.
2) Indien bestuursrechtelijke procedures leiden tot besluiten met formele rechtskracht, dient de burgerlijke rechter weliswaar uit te gaan van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van die besluiten, maar is hij niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die aan de besluiten ten grondslag zijn gelegd.

Lees verder >

Rekening en verantwoording meerderjarigenbewind na overlijden onderbewindgestelde

CB 2018-23 Geplaatst op 22 jan 2018 door

HR 22 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3262

Rekening en verantwoording door bewindvoerder meerderjarigenbewind dient na overlijden onderbewindgestelde te worden afgelegd aan diens erfgenamen, ten overstaan van de kantonrechter. Toepasselijkheid art. 236 Rv. Sanctie art. 3:194 lid 2 BW vereist geen benadelingsoogmerk. Lees verder >

Perikelen rondom verkrijgende verjaring, bezit en inbezitneming van grond

CB 2017-155 Geplaatst op 21 aug 2017 door

HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1268

De hier te bespreken zaak speelt zich af op het landgoed Park Oud Wassenaar, een particulier landgoed waarop zich (onder meer) het Kasteel Oud-Wassenaar en een viertal appartementsgebouwen met in totaal 60 appartementen bevinden. Het park en het kasteel waren sinds 1924 in eigendom van de familie van X. Medio 1975 werd het park rondom het kasteel door X in eigendom overgedragen aan een projectontwikkelaar, die daarop de appartementsgebouwen heeft gebouwd. Het kasteel zelf behoort sinds 1987 in eigendom toe aan de Monumentenstichting Kasteel Oud-Wassenaar (verweerster in cassatie sub 1). Lees verder >

Geen verjaring bij vordering rechthebbende op kwaliteitsrekening Stichting derdengelden

CB 2017-126 Geplaatst op 06 jul 2017 door

HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139

De op naam van een Stichting beheer derdengelden advocatuur staande bankrekening kan worden aangemerkt als een kwaliteitsrekening. Deze Stichting is bij uitsluiting bevoegd is tot beheer en beschikking over de kwaliteitsrekening. In de aard van een kwaliteitsrekening ligt besloten dat de Stichting zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling van diens aandeel. Lees verder >

Reikwijdte sanctie artikel 3:194 lid 2 BW

CB 2017-86 Geplaatst op 24 apr 2017 door

HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565

Voor toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW is niet voldoende dat de deelgenoot die een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt (niet wist maar) behoorde te weten dat dit goed tot de gemeenschap behoort. De sanctie vervalt niet nadat de desbetreffende deelgenoot tot inkeer is gekomen, omstandigheden die een beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen daargelaten. Lees verder >

Het bezitsvereiste en verkrijgende verjaring door een bezitter te kwader trouw

CB 2017-48 Geplaatst op 03 mrt 2017 door

HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (Gemeente Heusden/Verweerders)

(1) Voor het in art. 3:105 BW bedoelde gevolg van voltooiing van de verjaringstermijn van art. 3:314 lid 2 BW is voldoende dat bij de niet-rechthebbende sprake is van bezit dat voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Het is niet vereist dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis had van de bezitsdaden van de niet-rechthebbende waardoor zijn bezit is tenietgegaan. (2) De bezitter te kwader trouw die door de werking van art. 3:105 BW eigenaar is geworden, kan blootstaan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan hem heeft verloren. Lees verder >

Verjaring vernietiging ex artikel 3:34 lid 2 BW en bekrachtiging bij Selbsteintritt

CB 2017-42 Geplaatst op 02 mrt 2017 door

zandloper3 HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:150

Op de verjaring van een rechtsvordering tot vernietiging ex art. 3:34 lid 2 BW is art. 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW van toepassing. De term ‘onbekwaamheid’ in art. 3:52 lid 1, aanhef en onder a, BW ziet uitsluitend op de gevallen van art 1:234 lid 1 BW en art. 1:382 lid 2 BW, waar de wet bepaalt dat een persoon niet bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in art. 3:32 BW. Lees verder >

Pagina 1 van 712345...Minst recente »