Selecteer een pagina

Dossier: Vermogensrecht algemeen


Hoge Raad 29 mei 2026,  ECLI:NL:HR:2026:813

Erflater heeft in zijn testament een zogenoemde tweetrapsmaking opgenomen. Hij heeft zijn zoon benoemd tot erfgenaam onder de ontbindende voorwaarde van diens faillissement en zijn kleinkinderen onder de spiegelbeeldige opschortende voorwaarde van het faillissement van de zoon, tevens hun vader. Op het moment van overlijden is de zoon al failliet en gaat de erfenis daarom direct naar de kleinkinderen. Kan nu toch de bewindvoerder in (inmiddels) de schuldsanering van de zoon aanspraak maken op de legitieme portie? Jerre de Jong bespreekt in vier minuten het arrest.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #165 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:231

  1. Maandelijkse inning uit executoriaal loonbeslag is een daad van rechtsvervolging en daarmee een stuitingshandeling (art. 3:316 lid 1 BW).
  2. De bijzondere verjaringsregeling van art. 3:323 lid 3 BW speelt geen rol meer als het pand- of hypotheekrecht is tenietgegaan, bijvoorbeeld door uitwinning van het verbonden goed. Op een eventuele restschuld is de gewone verjaringsregeling van art. 3:307 lid 1 BW van toepassing.

(meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62

Aan het afwerende karakter van een beroep op een vernietigingsgrond van art. 4:62 BW doet niet af dat dit beroep is gedaan in de vorm van een vordering in reconventie. Voor toepasselijkheid van de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW is de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend. De uitzondering is niet van toepassing op diegene die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde. Voor de kwalificatie als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW is een BIG-registratie niet vereist.  (meer…)

HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168

De verjaringstermijn van drie jaren van art. 3:52 lid 1 onder d BW voor de vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door een echtgenoot, begint zodra die echtgenoot daadwerkelijk bekend is met het bestaan van de overeenkomst. Kennis of begrip dat de echtgenoot de overeenkomst kan vernietigen is niet vereist. (meer…)

HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761

De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW kan echter niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan. Dit geldt ook indien voordien reeds aan de benadeelde bekend is dat de vordering uit onverschuldigde betaling zal ontstaan en wie de ontvanger van de onverschuldigde betaling zal zijn.
Een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment dat een betaling zonder rechtsgrond wordt verricht. Indien periodieke betalingen zonder rechtsgrond worden verricht, ontstaat telkens op het moment van de betaling een afzonderlijke vordering uit onverschuldigde betaling. (meer…)

HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560

De rechtsgang bij de bestuursrechter kan niet in voldoende mate voorzien in vorderingen die erop zijn gericht dat met het intrekken van een beroep de bestuursrechtelijke procedure op korte termijn eindigt. GEM c.s. is daarom ontvankelijk in haar vordering. (meer…)

Cassatieblog.nl