Dossier: Vermogensrecht algemeen


HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741

Bij de beoordeling of een stuitingsmededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, moet niet alleen gelet worden op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen.  (meer…)

HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2463 (Gemeente Arnhem / X)

Extinctieve verjaring ten aanzien van zogenaamd ‘snippergroen’. Toepasselijkheid interversieverbod? ‘Niet ondubbelzinnig bezit’ als categorie van uitoefening feitelijke macht over een goed naast houderschap en (ondubbelzinnig) bezit? (meer…)

HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871

(1) De vernietigbaarheid van een verdeling wegens dwaling wordt uitsluitend beheerst door art. 3:196 BW. Dit geldt niet alleen voor de overeenkomst die een verdeling inhoudt, maar ook voor de overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde concreet aangegeven verdeling verplichten (HR 7 april 1995, NJ 1996/499 m.nt. WMK). (2) De in art. 1:87 BW neergelegde regeling voor vergoedingsrechten ter zake van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld, leent zich ook voor toepassing in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door echtgenoten van een gemeenschappelijk goed, gefinancierd uit hun privévermogens. (meer…)

HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866 (Eiser / Dexia)

(1) Voor de aanvang van de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid ex art. 1:88 en 1:89 BW is bekendheid met de te vernietigen overeenkomst vereist en niet tevens bekendheid met de bevoegdheid tot vernietiging. (2) Gelet op de vastgestelde en aangevoerde feiten behoorde het hof te onderzoeken of het bestreden contractuele beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (93/13/EG). (meer…)

HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119 (Eisers/Gemeente Dronten)

De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling (vgl. HR 12 januari 2001, ECLI:NL:2001:AA9429, NJ 2001/157 (Kuijpers/Wijnveen)).  (meer…)

HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.)

Het hof heeft met juistheid de regel uit het arrest Vis q.q./NMB toegepast, inhoudend dat een girale betaling na faillietverklaring van de schuldenaar kan worden teruggevorderd, indien de bank aan welke de betalingsopdracht was gegeven op de dag van faillietverklaring nog handelingen moest (laten) verrichten ter effectuering daarvan. Voor toekomstige faillissementen formuleert de Hoge Raad een nieuwe regel: de curator kan steeds het betaalde terugvorderen waarmee pas na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd. (meer…)