Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Resultaten voor ‘Claire Wiltink’

Geen ontslag op staande voet: werknemer kon door hersenaandoening geen verklaring geven voor het verdwijnen van geldbedragen

CB 2019-16 Geplaatst op 25 jan 2019 door

HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55

Voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet geldt niet de eis dat het bestaan van de dringende reden al ten tijde van het ontslag onomstotelijk vaststaat. Het bewijs dat de dringende reden aanwezig was, kan alsnog worden geleverd in de procedure waarin de werknemer de dringende reden betwist. De mogelijkheid om achteraf het bestaan van een dringende reden te bewijzen mag echter niet meebrengen dat een werkgever zijn werknemer nodeloos blootstelt aan onzekerheid over het al dan niet bestaan van de dringende reden. Lees verder >

Cassatietermijn 8 dagen bij beschikking kantonrechter op verzet ex artikel 4:218 lid 3 BW

CB 2019-10 Geplaatst op 10 jan 2019 door

HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2393

Er staat geen hoger beroep open tegen een beschikking van de kantonrechter op een verzet tegen een uitdelingslijst van een nalatenschap (ex artikel 4:218 lid 3 BW). Op grond van artikel 4:218 lid 5 BW juncto artikel 187 lid 1 Fw moet er binnen 8 dagen cassatieberoep tegen een dergelijke beschikking worden ingesteld. Het feit dat in artikel 4:218 lid 5 BW is opgenomen dat de in de Faillissementswet opgenomen voorschriften “zoveel mogelijk” van overeenkomstige toepassing zijn, doet daar niet aan af. Lees verder >

Verzoekschrift kwalificeert als ingebrekestelling ex art. 6:82 lid 2 BW (Sint Maarten)

CB 2019-3 Geplaatst op 03 jan 2019 door

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2301

Indien een schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat een aanmaning nutteloos zou zijn, kan op grond van art. 6:82 lid 2 BW (Sint Maarten) (gelijkluidend aan het Nederlandse art. 6:82 lid 2 BW) een ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Het oordeel van het hof dat het inleidende verzoekschrift in deze zaak voldoet aan de voorwaarden van een ingebrekestelling getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Lees verder >

Persoonlijke aansprakelijkheid curator

CB 2018-186 Geplaatst op 22 nov 2018 door

HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2067

De curator van een gefailleerde huurder staat toe dat een derde – in strijd met het verbod van onderverhuur in de huurovereenkomst en zonder instemming van de verhuurder – gebruik maakt van het gehuurde winkelpand. Dit vormt een ‘actieve’ schending door de curator van een voortdurende verplichting van de gefailleerde huurder tot nalaten zoals bedoeld in het arrest Credit Suisse/Jongepier q.q. (ECLI:NL:HR:2018:424 besproken in CB 2018-56). De curator had op dit punt geen beleidsvrijheid. Dit betekent dat de curator (in beginsel) persoonlijk aansprakelijk is.  Lees verder >

Tekortkoming in een overeenkomst van opdracht; op wie rust de bewijslast?

CB 2018-160 Geplaatst op 11 okt 2018 door

HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1776

Als een opdrachtnemer de van de opdrachtgever ter doorbetaling aan een derde ontvangen geldbedragen voor zichzelf behoudt, schiet de opdrachtnemer tekort in de uitvoering van de opdracht. De opdrachtgever lijdt dan schade ten belope van die geldbedragen. Op grond van art. 7:403 lid 2 BW is het aan de opdrachtnemer om te bewijzen dat hij over de geldbedragen heeft beschikt overeenkomstig het doel waarvoor ze aan hem zijn verschaft en er dus geen sprake is van een tekortkoming. Lees verder >

Precontractuele informatieplicht franchisegever; geen algemene verplichting tot het verschaffen van een omzetprognose

CB 2018-148 Geplaatst op 27 sep 2018 door

HR 21 september 2018,  ECLI:NL:HR:2018:1696

Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit geen algemene regel voort dat een franchisegever een franchisenemer moet inlichten omtrent de te verwachten omzet of winst. Die verplichting volgt evenmin uit de ‘Europese Erecode inzake Franchising’. Bijzondere omstandigheden van het geval kunnen echter wel een zodanige verplichting meebrengen. Lees verder >

Borgtochtovereenkomst; wel of geen toestemming van echtgenoot vereist?

CB 2018-140 Geplaatst op 26 jul 2018 door

HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1220

Bij een borgstelling voor bankkredieten is niet zonder meer de uitzondering op het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 5 BW van toepassing. De maatstaf voor de toepasselijkheid van die uitzondering is of de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, zelf behoort tot de rechtshandelingen die ten behoeve van de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. Lees verder >

Appelprocesrecht: pleidooi is de eerste gelegenheid om te reageren op een verweer in het principale beroep

CB 2018-127 Geplaatst op 13 jul 2018 door

HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1097

Een incidenteel beroep neemt processueel een zelfstandige positie in ten opzichte van een principaal beroep. Dit betekent dat een memorie van antwoord in het incidentele beroep de geïntimeerde in dat beroep geen gelegenheid biedt om te reageren op in het principale beroep gevoerde, nieuwe verweren. Het pleidooi is daar de eerste gelegenheid voor. Lees verder >

Een kwijtingsverklaring is niet zonder meer ook een kwijtschelding

CB 2018-115 Geplaatst op 02 jul 2018 door

HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:975

Een kwijtingsverklaring houdt in beginsel niet meer in dan bewijs dat een betaling heeft plaatsgevonden, waartegen tegenbewijs openstaat. In een dergelijke verklaring houdt niet zonder meer ook een kwijtschelding in als bedoeld in art. 6:160 lid 2 BW. Voor kwijtschelding is vereist dat partijen zijn overeengekomen dat het verschuldigde bedrag niet geheel zou worden voldaan, of dat zij, bij wege van een vaststellingsovereenkomst, aan enige onzekerheid over de verschuldigdheid ervan een einde hebben willen maken. Lees verder >

Hoge Raad laat zich uit over de uitleg en reikwijdte van art. 3 lid 1 WAM

CB 2018-107 Geplaatst op 21 jun 2018 door

HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:877

Het begrip ‘in het verkeer’ als bedoeld in artikel 3 lid 1 WAM dient in overeenstemming met artikel 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (Richtlijn 2009/103/EG) te worden uitgelegd. Uit jurisprudentie van het HvJEU volgt dat ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3, eerste alinea, WAM-richtlijn ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie. Telkens als een voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt, is sprake van deelneming aan het verkeer. Deelneming aan het verkeer is niet beperkt tot situaties op de openbare weg. Lees verder >

Pagina 1 van 512345