Alle berichten van: Claire Wiltink


HR 22 maart 2019 ECLI:NL:HR:2019:398

In deze zaak heeft de rechtbank de vorderingen van eiser uitgelegd als één vordering met twee verschillende grondslagen (primaire en subsidiaire grondslag). De rechtbank wees de vordering op de subsidiaire grondslag toe. Het hof achtte de vordering echter niet toewijsbaar op de subsidiaire grondslag, maar heeft nagelaten te onderzoeken of de vordering wel toewijsbaar was op de primaire grondslag. Het hof heeft daarmee de devolutieve werking van appel miskend. (meer…)

HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:274

Als een curator op grond van art. 27 lid 3 Fw het geding overneemt van een gefailleerde, wordt de gefailleerde buiten het geding gesteld. Dit betekent dat de gefailleerde geen procespartij meer is en dus ook geen cassatieberoep tegen een uitspraak van het hof kan instellen. De curator die het geding heeft overgenomen kan dat wel. (meer…)

HR 22 februari 2019 ECLI:NL:HR:2019:269

Een makelaar die in strijd met de NVM-meetinstructie een onjuiste oppervlakte van een woning aan kopers meldt, handelt onrechtmatig. De omvang van de schade die de kopers van de woning daardoor lijden, dient te worden bepaald door de situatie waarin zij verkeren te vergelijken met de situatie waarin zij zouden hebben verkeerd als de onrechtmatige gedraging van de makelaar achterwege zou zijn gebleven. (meer…)

HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:80

Het enkele feit dat een werkgever door een rechter wordt veroordeeld om een arbeidsovereenkomst te herstellen, betekent niet dat de werknemer een reeds ontvangen transitievergoeding dient terug te betalen. Anders dan bij vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, vervalt bij herstel van de arbeidsovereenkomst niet de rechtsgrond aan de betaling van de transitievergoeding. Van een verplichting van de werknemer tot terugbetaling van de transitievergoeding is pas sprake als een werknemer hiertoe door de rechter wordt veroordeeld.  (meer…)

HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55

Voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet geldt niet de eis dat het bestaan van de dringende reden al ten tijde van het ontslag onomstotelijk vaststaat. Het bewijs dat de dringende reden aanwezig was, kan alsnog worden geleverd in de procedure waarin de werknemer de dringende reden betwist. De mogelijkheid om achteraf het bestaan van een dringende reden te bewijzen mag echter niet meebrengen dat een werkgever zijn werknemer nodeloos blootstelt aan onzekerheid over het al dan niet bestaan van de dringende reden. (meer…)