Selecteer een pagina

HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:798

Uit deze Curaçaose zaak blijkt dat bij de uitleg en toepassing van artikel 8 Landsverordening Dwanginvordering op grond van het concordantiebeginsel moet worden aangesloten bij de uitleg en toepassing van het Nederlandse art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990 en de daarop betrekking hebbende rechtspraak. De Hoge Raad oordeelt dat de door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie gegeven uitleg aan artikel 8 Landsverordening Dwanginvordering in het licht van hetgeen door partijen in feitelijke instanties is aangevoerd zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

Achtergrond van de zaak

Het gaat in deze zaak om een door de Landsontvanger van Curaçao gelegd bodembeslag op alle roerende zaken in een pand. Het beslag is gelegd ten laste van A B.V. Op het adres van het pand staat naast A B.V. ook X B.V. ingeschreven. De bestuurder van A B.V. gebruikte slechts een van de kamers in het pand en verbleef daar een paar uur per week. De rest van het pand werd door X B.V. gebruikt.

X B.V. heeft als derde verzet ingesteld tegen het beslag op grond van artikel 8 van de Landsverordening Dwanginvordering (PB 1942, no. 246). Dat artikel is nagenoeg gelijk aan het Nederlandse artikel 22 lid 3 Invorderingswet waarin is bepaald dat derden nimmer verzet in rechte kunnen doen tegen de beslaglegging ter zake van naheffingsaanslagen (…) “indien de ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruikt van het land, zich tijdens de beslaglegging op de bodem van de belastingschuldige bevinden.

De centrale vraag in deze zaak is of de roerende zaken in het pand zich op de ‘bodem’ van A B.V. bevinden. Zowel het Gerecht als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie hebben die vraag bevestigend beantwoord en het verzet van X B.V. ongegrond verklaard.

Het hof heeft bij zijn beoordeling op grond van het concordantiebeginsel aansluiting gezocht bij de uitleg en toepassing van het begrip ‘bodem’ in de zin van het Nederlandse artikel 22 lid 3 Invorderingswet. Het hof overwoog dat er aan twee vereisten moet zijn voldaan om het pand als ‘bodem’ van de belastingschuldige (in dit geval A B.V.) te kwalificeren. Ten eerste moet het gehele pand ten tijde van de beslaglegging feitelijk in gebruik zijn bij A B.V. Dat gebruik hoeft niet exclusief te zijn. Er kan sprake zijn van gelijktijdig medegebruik van dezelfde bodem. Dat was volgens het hof het geval, omdat naar het oordeel van het hof niet vaststond dat de bestuurder van A B.V. niet het gehele pand gebruikte. Ten tweede is vereist dat de belastingschuldige (in dit geval A B.V.) ten tijde van de beslaglegging onafhankelijk beschikking had over het pand. Dat was volgens het hof eveneens het geval omdat de bestuurder van A B.V. zonder toestemming van X B.V. over het hele pand kon beschikken.

Cassatie

X B.V. komt tegen dat oordeel in cassatie op. Volgens X B.V. is in de eerste plaats niet voldaan aan het vereiste van feitelijk gebruik. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof zijn oordeel in het licht van hetgeen door X B.V. naar voren is gebracht ontoereikend heeft gemotiveerd. De Hoge Raad stelt bij de beoordeling van deze klacht voorop dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat bij de uitleg en toepassing van artikel 8 Landsverordening Dwanginvordering op grond van het concordantiebeginsel moet worden aangesloten bij de uitleg en toepassing van artikel 22 lid 3 Invorderingswet. Het hof is echter niet kenbaar ingegaan op de stellingen van X B.V. (onder meer) dat de rekeningen voor gas, licht en elektra naar X B.V gingen, de bestuurder van A B.V. uitsluitend van zijn eigen kamer en niet van de rest van het pand gebruik maakte en in het beslagexploot ook alleen maar die ene kamer werd genoemd. Het oordeel van het hof dat het gehele pand feitelijk in gebruik was door A B.V. acht de Hoge Raad zonder nader motivering dan ook onbegrijpelijk.

Ten tweede klaagde X B.V. dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de bestuurder van A B.V. onafhankelijk van anderen de beschikking had over het gehele pand. Uit hetgeen naar voren is gebracht bleek immers dat de bestuurder niet de sleutels van het pand had en hij dus niet onafhankelijk van anderen de kamer kon gebruiken. Ook die klacht acht de Hoge Raad gegrond. Tot slot klaagde X B.V. dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een stelling te verwerpen op een niet door de wederpartij aangevoerde grond. Ook daar gaat de Hoge Raad in mee.

De Hoge Raad komt dan ook tot een vernietiging van de uitspraak van het hof. Het geding wordt verwezen naar (hetzelfde) hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This