Selecteer een pagina

Dossier: Vervoersrecht


HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1665

Bij een rechtskeuze op de voet van art. 3 lid 1 Rome I is niet uitgesloten dat partijen een deel van een statelijk rechtsstelsel, en niet dat stelsel in zijn geheel, als het toepasselijke recht aanwijzen. (meer…)

Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1665

De partijen bij een overeenkomst mogen op grond van art. 3 Rome I-Verordening zelf kiezen welk rechtsstelsel op hun overeenkomst van toepassing is. Die bepaling staat er niet aan in de weg dat zij kiezen voor een deel van een buitenlands rechtsstelsel in plaats van dat stelsel in zijn geheel, zo oordeelt de Hoge Raad in zijn arrest van 7 november 2025. Dat geldt ook als zij daarmee zouden afwijken van dwingende bepalingen van het recht dat verder op hun overeenkomst van toepassing is. Monique Hazelhorst bespreekt de uitspraak in 4 minuten.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #146 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

 

HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1222

Het CMR bevat geen regel van bewijslastverdeling met betrekking tot vraag of tijdens het vervoer door de douane aangetroffen goederen dezelfde zijn als de door de afzender aan de vervoerder meegegeven goederen.   (meer…)

Hoge Raad 16 september 2022 ECLI:NL:HR:1222 (eiseres / verweerster)

Het CMR bevat geen regel van bewijslastverdeling voor de vraag of door de douane aangetroffen goederen dezelfde zijn als door de afzender aan de vervoerder zijn meegegeven. Die bewijslastverdeling wordt daarom door het nationale recht geregeld (art. 150 Rv). Dit brengt mee dat de vervoerder, als hij zijn schade wil verhalen op de afzender, moet bewijzen dat de afzender hem de aangetroffen goederen heeft meegegeven. Jerre de Jong bespreekt deze uitspraak.

 

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #029 is ook als podcast beschikbaar.

HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:594

In cassatie staat in deze zaak de vraag centraal of in hoger beroep door appellant een (kenbare) grief is gericht tegen een bepaalde – voor appellant nadelige – beslissing van de rechtbank. Dat is van belang, omdat het hof anders in beginsel gebonden is aan die beslissing van de rechtbank. In dit geval was geen (kenbare) grief gericht tegen de voor appellant nadelige beslissing van de rechtbank. Het hof is dan ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden door desondanks op dat punt tot een andere beslissing te komen dan de rechtbank. (meer…)

HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:122

Gelet op het verweer van eiseres tegen het beroep op verjaring kon het hof er niet mee volstaan het beroep op verjaring te beoordelen aan de hand van art. 8:1730 lid 1 BW jo. art. 8:1717 BW. Het had ook, met toepassing van art. 25 Rv, moeten beoordelen of een nieuwe verjaringstermijn zoals bedoeld in art. 8:1720 lid 1 BW was aangevangen.  (meer…)

Cassatieblog.nl