Selecteer een pagina

HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:122

Gelet op het verweer van eiseres tegen het beroep op verjaring kon het hof er niet mee volstaan het beroep op verjaring te beoordelen aan de hand van art. 8:1730 lid 1 BW jo. art. 8:1717 BW. Het had ook, met toepassing van art. 25 Rv, moeten beoordelen of een nieuwe verjaringstermijn zoals bedoeld in art. 8:1720 lid 1 BW was aangevangen. 

De casus en de vordering

Iris Shipping en Somtrans hebben een rompbevrachtingsovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst heeft Iris Shipping een motortankschip verhuurd aan Somtrans. Op 11 juni 2014 heeft Iris Shipping het schip weer in gebruik genomen.

Op 24 juni 2014 hebben de Belastingdienst (douane) en later ook Iris Shipping monsters genomen van de gasolie in het schip. Daaruit bleek dat de waarden van de gasolie afweken van de gebruikelijke waarden. Bij brief van 26 juni 2014 heeft de advocaat van Iris Shipping aan Somtrans meegedeeld dat de gasolie aan boord van het schip niet aan de geldende wetgeving voldeed en heeft hij Somtrans aansprakelijk gesteld voor de mogelijke gevolgen. Op 4 augustus 2014 heeft de Belastingdienst Iris Shipping bericht naar aanleiding van de uitgevoerde douanecontrole, waarbij ten aanzien van de gasolie in de bunkertanks onregelmatigheden werden vastgesteld en Iris Shipping is aangemerkt als verdachte wegens het overtreden van art. 34 Uitvoeringsbesluit Accijns.

Op 25 januari 2018 heeft Iris Shipping een kennisgeving ontvangen van het voornemen van de Belastingdienst om een naheffingsaanslag van € 14.639 op te leggen in verband met de verschuldigdheid van accijns. Op 6 maart 2018 heeft de advocaat van Iris Shipping Somtrans rechtsmaatregelen in het vooruitzicht gesteld. Op 7 maart 2018 heeft de Belastingdienst Iris Shipping een naheffingsaanslag van € 16.496 opgelegd.

Iris Shipping heeft Somtrans gedagvaard tot betaling aan haar van € 16.496.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft de vordering van Iris Shipping afgewezen omdat deze zou zijn verjaard. Het overwoog dat art. 8:1730 lid 1 BW voor onder meer rechtsvorderingen die zijn gegrond op een overeenkomst tot rompbevrachting een bijzondere verjaringstermijn van een jaar geeft. Die termijn vangt aan op de dag na die waarop de uitvoering van de overeenkomst is geëindigd. Volgens het hof was in dit geval sprake van een vordering die was gegrond op een overeenkomst tot rompbevrachting, omdat de vordering van Iris Shipping strekte tot vergoeding van schade door het mengen van witte gasolie met rode gasolie. Iris Shipping zou Somtrans wanprestatie verwijten doordat zij het schip witte diesel heeft laten bunkeren. Aangezien de overeenkomst op 11 juni 2014 eindigde, zou de verjaringstermijn op 12 juni 2014 zijn gaan lopen. Iris Shipping heeft de verjaring nog wel gestuit, uiterlijk bij brief van 17 juli 2014, maar van latere stuitingshandelingen tot aan de dagvaarding van 16 mei 2018 bleek volgens het hof niets.

De Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt deze beslissing. Hij stelt voorop dat art. 8:1730 lid 1 BW jo. art. 8:1717 BW bepaalt dat een rechtsvordering die is gegrond op een overeenkomst zoals bedoeld in afdeling 4 van titel 10 van boek 8 BW verjaart door verloop van één jaar. Die verjaringstermijn vangt aan op de dag ná de dag waarop de uitvoering van de overeenkomst is geëindigd. Ingevolge art. 8:1720 lid 1 BW begint echter ten behoeve van een vervoerder of een afzender, voor zover deze verhaal zoekt op een partij bij een exploitatie-overeenkomst voor hetgeen door hem aan een derde is verschuldigd, een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Die nieuwe termijn bedraagt drie maanden en begint op de dag ná de eerste van de volgende dagen:

  1. de dag waarop hij die verhaal zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan;
  2. de dag waarop hij die verhaal zoekt, ter zake in rechte is aangesproken;
  3. de dag waarop de verjaring waarop hij die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen, is gestuit, of
  4. de dag waarop de termijn van de verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen verlenging.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat (i) 8:1730 lid 2 BW bepaalt dat art. 8:1720 BW van overeenkomstige toepassing is op een rechtsvordering die is gebaseerd op een overeenkomst als bedoeld in afdeling 4 van titel 10 van boek 8 BW (ii) art. 25 Rv bepaalt dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Gelet op een en ander klaagt het cassatiemiddel terecht dat het hof ambtshalve had moeten nagaan of het verjaringsverweer van Somtrans afstuitte op art. 8:1720 BW:

“[Uitgangspunt in cassatie is] dat de vordering van Iris Shipping is gegrond op een rompbevrachtingsovereenkomst. Dit is een overeenkomst zoals bedoeld in afdeling 4 van titel 10 van boek 8 BW. Voorts laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat Iris Shipping als rompvervrachter op Somtrans verhaal zoekt voor wat zij aan een derde, de Belastingdienst, is verschuldigd. De vordering van Iris Shipping is dus een vordering waarop art. 8:1720 lid 1 BW van toepassing is. (…) Iris Shipping heeft in de feitelijke instanties, tegenover het door Somtrans gedane beroep op verjaring, onder meer aangevoerd dat de verjaringstermijn pas een aanvang heeft genomen op de dag volgende op de dagtekening van de naheffingsaanslag, zijnde 8 maart 2018, en dat de rechtsvordering op 16 mei 2018 dus tijdig is ingesteld. (…) Uit het voorgaande volgt dat het hof het beroep van Somtrans op verjaring niet alleen had moeten beoordelen aan de hand van art. 8:1730 lid 1 BW in verbinding met art. 8:1717 BW, maar dat het, met toepassing van art. 25 Rv, ook had moeten beoordelen of een nieuwe verjaringstermijn zoals bedoeld in art. 8:1720 lid 1 BW was aangevangen.”

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst het geding naar het hof ’s-Hertogenbosch. Deze afdoening wijkt af van de conclusie van A-G Vlas.

Iris Shipping werd in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This