Selecteer een pagina

Dossier: Ondernemingsrecht


HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1705

De bevoegdheid om een enquête te bevelen is een discretionaire: bij de uitoefening dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De rechter kan in het kader van de belangenafweging bezien of door het beperken van de reikwijdte of de kosten van een onderzoek een evenwicht kan worden bereikt tussen de belangen die met een onderzoek worden gediend en relevante bezwaren die tegen een onderzoek bestaan. In het bijzonder als het OM een enquête verzoekt om redenen van openbaar belang, ligt het voor de hand bij de belangenafweging te betrekken het maatschappelijke belang van openheid van zaken over mogelijk wanbeleid binnen een onderneming waarvan het functioneren een ruime kring van belanghebbenden raakt, en de preventieve werking die het gevolg kan zijn van het verkrijgen van openheid van zaken. (meer…)

HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1114 

De verklaring voor recht (op grond van art. 10:122 BW) ten aanzien van de wereldwijde organisatie van de Hells Angels en de verbodenverklaring en ontbinding (op grond van art. 2:20 BW) ten aanzien van de Nederlandse overkoepelende organisatie van de Hells Angels, kunnen indirect gevolgen hebben voor de afzonderlijke charters en leden van de Hells Angels. Op grond van art. 140 lid 2 Sr is deelneming aan de voortzetting van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in art. 10:122 lid 1 BW is afgegeven strafbaar. Het is aan de strafrechter om te beslissen wanneer daarvan sprake is. (meer…)

HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:691

Art. 2:248 lid 4, eerste volzin, BW, bevat een limitatieve opsomming van gronden voor vermindering van het bedrag waarvoor bestuurders aansprakelijk zijn. (meer…)

HR 1 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1407

(i) Voor gedaagden die bij aanvang van de verzettermijn buiten Nederland wonen of verblijven, maar van wie op dat moment de woonplaats of het werkelijk verblijf niet bekend is, geldt (ook) de in art. 143 lid 2 Rv genoemde verzettermijn van acht weken.
(ii) De rechtsverhouding tussen de uitkoper en de uit te kopen aandeelhouders is processueel ondeelbaar.
(iii) De Ondernemingskamer had aan de uit te kopen aandeelhouders – en niet aan de uitkoper – moeten opdragen de gezamenlijke andere aandeelhouders in het geding te roepen.  (meer…)

HR 21 mei, ECLI:NL:HR:2021:754

Zolang er sprake is van een betalingsachterstand kan de in art. 23 lid 3 Bpf 2000  bedoelde bestuurdersaansprakelijkheid ook berusten op kennelijk onbehoorlijk bestuur dat heeft plaatsgevonden ná de mededeling van betalingsonmacht. (meer…)