Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: ondernemingsraad


HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1283 en HR 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1444 

De Hoge Raad stelt bij herstelbeschikking van 18 september 2020 vast dat in de beschikking van 17 juli 2020 inderdaad sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. (meer…)

HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:532

Voor de toewijzing van een verzoek tot uitsluiting van een OR-lid van de werkzaamheden voor de OR is niet vereist dat dit lid een (al dan niet ondubbelzinnige) waarschuwing is gegeven dat hij het hem verweten gedrag dient na te laten. Of, en zo ja, op welke wijze en hoe vaak het lid van de ondernemingsraad is gewaarschuwd, is slechts een van de gezichtspunten die een rol kunnen spelen bij beantwoording van de vraag of de verzochte uitsluiting is aangewezen. (meer…)

HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:725

De Ondernemingskamer toetst marginaal of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (art. 26 lid 4 WOR). De ondernemingsraad kan slechts beroep instellen op grond van bezwaren die in zijn advies zijn opgenomen, tenzij de bezwaren voortvloeien uit feiten en omstandigheden die de ondernemingsraad destijds niet kende of behoefde te kennen, of als wezenlijke gebreken kleven aan de adviesaanvraag.  (meer…)

HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:982 (Ondernemingsraad DA Retailgroep c.s./DA Retailgroep c.s.)

De curator moet zorgdragen voor het naleven van de voorschriften van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) tijdens een faillissement. Het adviesrecht van de ondernemingsraad ziet in faillissement in beginsel niet op de verkoop van goederen of het opzeggen van arbeidsovereenkomsten op de voet van art. 176 en art. 40 Fw, omdat deze handelingen van de curator gericht zijn op een (voortvarende) afwikkeling van het faillissement. (meer…)

HR 8 november 2012, ECLI:NL:HR:2013:1139 (Gemeente Amsterdam/Ondernemingsraad van de Gemeente Amsterdam)

Een besluit dat rechtstreeks betrekking heeft op het inrichten en vaststellen van de begroting en op de daarmee samenhangende terbeschikkingstelling van krediet is onmiskenbaar van dien aard dat het een politieke afweging vergt van de daaraan verbonden voor- en nadelen. Reeds daarom is sprake van een besluit als bedoeld in art. 46d, aanhef en onder b, WOR, dat van medezeggenschap ingevolge de WOR is uitgesloten. (meer…)