HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1196 en ECLI:NL:HR:2026:1197
Voorzienbaarheid is geen zelfstandige voorwaarde voor toepassing ankergedaagderegeling. Voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ is niet vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat deze vorderingen op dezelfde rechtsgrondslag berusten. Een algemeen onrechtmatigheidsoordeel kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Dat verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, brengt niet mee dat de bij de vorderingen betrokken belangen zich niet voor bundeling lenen; maakt ook niet dat collectieve actie geen voordeel biedt ten opzichte van individuele geschilbeslechting. Terechte terugwijzing door het hof naar de rechtbank.
Achtergrond van de zaak
In deze collectieve actie vordert een stichting verklaringen voor recht over vermeende onrechtmatige gedragingen van een aantal financiële ondernemingen. Het gaat om Rabobank (ankergedaagde) en ondernemingen die in verschillende buitenlanden zijn gevestigd.
De vorderingen tegen deze ondernemingen zijn gebaseerd op de stelling dat zij hebben samengewerkt in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU verboden kartel waarin (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR – een referentierente voor de Japanse Yen – onderling werd(en) afgestemd. Daarnaast heeft de stichting zich beroepen op groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW. Tegen Rabobank is ook een vordering ingesteld op basis van art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking); die blijft hierna grotendeels buiten beschouwing.
Procesverloop
Partijen hebben eerst geprocedeerd over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en over de vraag of de stichting ontvankelijk is in haar collectieve actie.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de hiervoor genoemde vorderingen. De rechtbank kwam echter niet toe aan een inhoudelijke behandeling van die vorderingen, omdat de rechtbank de stichting niet-ontvankelijk verklaarde.
Het hof Amsterdam vernietigde de vonnissen van de rechtbank. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter uitsluitend bevoegd is om te oordelen over de art. 101 VWEU-vordering, en dus niet bevoegd is om te oordelen over de groepsaansprakelijkheidsvordering. Volgens het hof was de stichting ontvankelijk in de art. 101 VWEU-vordering (en in de verrijkingsvordering tegen Rabobank). Het hof verwees de zaak terug naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling en verleende verlof om tussentijds cassatieberoep in te stellen.
Van die mogelijkheid hebben alle partijen gebruikgemaakt. In cassatie bestrijden Rabobank en de buitenlandse medegedaagden de voor hen ongunstige bevoegdheids- en ontvankelijkheidsoordelen. De stichting komt onder meer op tegen het voor haar ongunstige bevoegdheidsoordeel met betrekking tot de groepsaansprakelijkheidsvordering. Ook bestrijdt de stichting de terugwijzing naar de rechtbank.
Algemeen kader ankergedaagderegeling
De ankergedaagderegeling van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis voorziet in een alternatieve bevoegdheidsgrondslag in geval van pluraliteit van gedaagden. Als de eiser meerdere gedaagden met woonplaats in verschillende EU-lidstaten dagvaardt, kan hij ervoor kiezen een gedaagde op te roepen voor het gerecht waar één van de (andere) gedaagden woonplaats heeft, de ‘ankerverweerder’ of ‘ankergedaagde’. De bepaling moet restrictief worden geïnterpreteerd omdat daarmee een uitzondering wordt gemaakt op de fundamentele hoofdregel dat (enkel) de rechter van de woonplaats van de gedaagde rechtsmacht toekomt (forum rei, zie daarover ook CB 2026-19).
Om rechtsmacht op grond van de ankergedaagderegeling aan te nemen moet zijn voldaan aan het zogenoemde ‘nauwebandcriterium’. Uit vaste rechtspraak van het HvJ volgt dat aan dit criterium is voldaan als de vorderingen betrekking hebben op eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Alleen dan kan zich een divergentie voordoen die bij afzonderlijke berechting van de zaken kan leiden tot onverenigbare beslissingen. Alleen dát risico wordt vanuit het perspectief van een goede rechtsbedeling problematisch geacht, en alleen in zoverre is er dus een rol weggelegd voor de ankergedaagderegeling.
Ankergedaagderegeling: voorzienbaarheid geen zelfstandige voorwaarde
Een van de vragen die in cassatie aan de orde is, is of er naast dit nauwebandcriterium nog een extra voorwaarde geldt, namelijk dat het voor de buitenlandse medegedaagde voorzienbaar moet zijn geweest dat hij kon worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend (ECLI:NL:HR:2026:1196, rov. 3.2.1-3.2.3).
De Hoge Raad verwijst op dit punt naar een HvJ-arrest van 16 april 2026 in de zaak Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain. Daarin heeft het HvJ geoordeeld, kort gezegd, dat voorzienbaarheid geen zelfstandig criterium is. Met een beroep op dit HvJ-arrest verwerpt de Hoge Raad de rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat het voor de buitenlandse medegedaagden, gezien hun deelname aan of betrokkenheid bij het zogenoemde JPY LIBOR-panel, ieder voor zich redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van een (andere) panelbank.
Ankergedaagderegeling: rechtens eenzelfde situatie
De Hoge Raad spreekt zich ook uit over de maatstaf voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’. Zowel de buitenlandse medegedaagden als de stichting stelden die maatstaf in cassatie aan de orde.
De buitenlandse medegedaagden betoogden dat in dit kader relevant is welk materieel recht op de respectieve vorderingen van toepassing is. Daarbij moet volgens de buitenlandse medegedaagden een vergelijking worden gemaakt tussen het materiële recht dat van toepassing is als de Nederlandse rechter, overeenkomstig het Nederlandse conflictenrecht, de vorderingen tegen de ankergedaagde beoordeelt, tegenover het materiële recht dat van toepassing is als de rechter in het thuisland van de buitenlandse gedaagde, op basis van het conflictenrecht dat geldt voor die rechter, de vorderingen op de buitenlandse gedaagde beoordeelt. Is dit toepasselijke materiële recht identiek of vrijwel identiek aan het recht dat de Nederlandse rechter zou toepassen, dan is er eenzelfde situatie rechtens. Zijn echter verschillende materiële rechtstelsels van toepassing, dan vormt dat een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens, aldus de buitenlandse medegedaagden.
Dit betoog wordt verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ niet is vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat deze vorderingen op dezelfde rechtsgrondslag berusten (ECLI:NL:HR:2026:1196, rov. 3.3.1-3.3.2). Het voorgaande heeft het hof ook niet miskend waar het de bevoegdheid ten aanzien van de groepsaansprakelijkheidsvordering van de hand wees. Ook de daartegen gerichte klachten van de stichting worden daarom verworpen (ECLI:NL:HR:2026:1197, rov. 3.2.1-3.2.3).
Ontvankelijkheid art. 3:305a (oud) BW
Op de collectieve vorderingen van de stichting is het oude art. 3:305a BW van toepassing. In cassatie betoogden de buitenlandse medegedaagden en Rabobank kort gezegd dat na deze collectieve actie op individuele basis moet worden geprocedeerd om daadwerkelijk te kunnen vaststellen of jegens een beweerde belanghebbende onrechtmatig is gehandeld. De in de collectieve actie gevorderde verklaringen voor recht kunnen daarom niet bijdragen aan het vorderen van schadevergoeding in een individuele procedure. Als gevolg daarvan heeft deze collectieve actie geen toegevoegde waarde voor beweerde benadeelden, aldus de onderdelen.
De Hoge Raad verwerpt dit betoog (ECLI:NL:HR:2026:1197, rov. 3.5.1-3.5.3). Volgens de Hoge Raad vraagt de stichting een oordeel over de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR, zonder in te gaan op de bijzonderheden van individuele gevallen. Een dergelijk algemeen onrechtmatigheidsoordeel kan volgens hem bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Het ligt namelijk in de rede dat een dergelijk onrechtmatigheidsoordeel in eventuele afzonderlijke vervolgprocedures tot uitgangspunt wordt genomen, waarbij vervolgens kan worden ingegaan op de bijzonderheden van individuele gevallen en kan worden beoordeeld of een specifieke belanghebbende in de relevante periode nadelige gevolgen heeft ondervonden van het handelen van Rabobank c.s.
De Hoge Raad oordeelt verder dat het gegeven dat op de door de stichting gevorderde verklaringen voor recht mogelijk verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, niet meebrengt dat de bij de vorderingen betrokken belangen zich niet voor bundeling lenen en ook niet in de weg staat aan het oordeel dat de behandeling van deze vorderingen in een collectieve actie voordeel biedt ten opzichte van individuele geschilbeslechting (ECLI:NL:HR:2026:1197, rov. 3.6.1-3.6.2).
Terechte terugwijzing
De Hoge Raad verwerpt tot slot de klachten van de stichting tegen de beslissing van het hof om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. De Hoge Raad sluit op dit punt aan bij zijn uitspraak van (eveneens) 17 juli 2026 waarin onder de WAMCA een uitzondering op het verbod van terugwijzing is aanvaard, zie hiervoor Cassatieblog CB 2026-87. Die uitzondering moet, met het oog op de eisen van de praktijk, ook gelden onder het oude recht. Op dit punt wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van A-G Ibili.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen van de stichting en de buitenlandse medegedaagden. Een van de buitenlandse medegedaagden (UBS) werd in cassatie bijgestaan door Sikke Kingma en Ruben de Graaff, en in feitelijke instanties onder meer door Willem Heemskerk en Raimond Dufour.