HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1963
Deze zaak draait om de vraag of een buitenlands vonnis in Curaçao voor erkenning in aanmerking komt. Daarvoor is onder meer vereist dat de bevoegdheid van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. De Hoge Raad oordeelt dat de bevoegdheid in dit geval niet kon worden gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de verzoeker (forum actoris), maar wel op een stilzwijgende forumkeuze van de gedaagde. Daarnaast gaat de zaak in cassatie over de vraag of de erkenning in Curaçao in strijd is met de openbare orde.
Achtergrond van de zaak
Een man en een vrouw zijn in 1969 met elkaar gehuwd in Japan. Na hun huwelijk zijn zij gaan wonen in Koeweit. In 1987 zijn zij verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk en in 1994 naar Portugal. In oktober 2014 zijn zij gescheiden van elkaar gaan wonen. De vrouw is van Portugal naar de Verenigde Staten gereisd en heeft daar enkele maanden bij haar dochter verbleven. Daarna is zij verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk. De man bleef woonachtig in Portugal en in de Verenigde Arabische Emiraten.
Begin 2015 is de vrouw een echtscheidingsprocedure begonnen bij de High Court in het Verenigd Koninkrijk. Daarbij heeft zij ook verzocht om een verdeling van het huwelijkse vermogen. De High Court heeft niet de echtscheiding uitgesproken, maar heeft wel het huwelijkse vermogen verdeeld. De High Court heeft de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van ruim 61,5 miljoen Britse ponden.
De inzet van deze cassatieprocedure vormt de erkenning van deze buitenlandse beslissing door (eerst het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, GEA, en daarna) het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ). Tegen het vonnis van het GHvJ heeft de man cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Erkenningsvoorwaarden
Aangezien de erkenning wordt verzocht buiten verdrag of verordening, wordt het toetsingskader gevormd door art. 431 Rv (Curaçao) en de voorwaarden uit het arrest Gazprombank (zie daarover eerder CB 2014-146, CB 2019-14, CB 2021-116, CB 2023-144). Dit is hoe de voorwaarden zijn geformuleerd in de uitspraak die hier wordt besproken:
“3.1.2 Naar commuun internationaal privaatrecht is uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Curaçao in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Curaçaose rechter (of van een andere rechter binnen het Koninkrijk der Nederlanden), dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Curaçao vatbaar is.”
Deze zaak gaat in cassatie over de toetsing door het GHvJ aan erkenningsvoorwaarden (i) en (iii).
Erkenningsvoorwaarde (i): geen forum actoris, wel stilzwijgende forumkeuze
De eerste erkenningsvoorwaarde verplicht de rechter om na te gaan of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaard is.
Deze voorwaarde vloeit historisch gezien voort uit het soevereiniteitsbeginsel: de rechtsmacht van de rechter strekt zich alleen uit over het eigen grondgebied en niet daarbuiten. Dit beginsel brengt – ook tegenwoordig nog – mee dat voor de uitoefening van rechtsmacht door de buitenlandse rechter een rechtvaardiging moet bestaan. Buiten verdrag of verordening kan die rechtvaardiging niet worden gevonden in wederkerigheid en wederzijds vertrouwen tussen de betrokken staten. Er bestaat ook geen ander rechtsbeginsel dat in die gevallen tot erkenning dwingt. Daarom moet steeds inhoudelijk worden getoetst of de buitenlandse rechter rechtsmacht mocht uitoefenen in de betreffende zaak. Deze controle strekt (onder meer) ertoe forum shopping tegen te gaan en te voorkomen dat een gedaagde al te gemakkelijk wordt afgehouden van de rechter van zijn eigen woonplaats.
Volgens de internationaal algemeen aanvaarde hoofdregel is immers primair de rechter van het land waar de gedaagde zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, bevoegd (forum rei). Deze hoofdregel biedt de gedaagde procesrechtelijke bescherming. Dat wordt gerechtvaardigd door het feit dat de gedaagde zich moeilijker kan verdedigen voor een vreemde rechter dan voor de gerechten van het land waar hij woonachtig is en waarmee hij dus meer vertrouwd is. Daarbij weegt mee dat de gedaagde zich in de procedure doorgaans in een zwakkere positie bevindt omdat hij niet het initiatief daartoe heeft genomen en degene is tegen wie de vordering wordt ingesteld. Niet algemeen aanvaard is de uitzondering dat de rechter van het land waar de eiser of verzoeker zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is (forum actoris). Deze bevoegdheidsgrond wordt internationaal zelfs algemeen als exorbitant beschouwd.
In deze zaak had het GHvJ geoordeeld dat de bevoegdheid van de High Court berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, namelijk de gewone verblijfplaats van de verzoeker (de vrouw). Het GHvJ had terecht tot uitgangspunt genomen dat aansluiting moet worden gezocht bij relevante internationale verdragen en verordeningen, omdat wat daarin is vastgelegd een aanwijzing oplevert voor wat internationaal aanvaardbaar wordt geacht. Ten onrechte had het GHvJ zijn oordeel echter gebaseerd op de Verordening Brussel II-bis en de Verordening Huwelijksvermogensstelsels. De internationale bevoegdheid die de Engelse rechter heeft aangenomen op grond van de gewone verblijfplaats van de vrouw (forum actoris) komt namelijk niet overeen en is niet vergelijkbaar met een bevoegdheidsgrond uit een van beide genoemde verordeningen. Ook overigens is deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven niet algemeen aanvaardbaar. De daarop gerichte klachten van de man slagen (rov. 3.2.2-3.2.5).
Het voorgaande leidt echter wegens gebrek aan belang niet tot cassatie. De vrouw klaagt namelijk eveneens terecht over de verwerping door het GHvJ van haar stelling dat de man de bevoegdheid van de Engelse rechter stilzwijgend had aanvaard. Volgens de Hoge Raad heeft het GHvJ miskend dat voor de naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar zijnde bevoegdheidsgrond van de stilzwijgende forumkeuze voldoende is dat de gedaagde verschijnt zonder tijdig de bevoegdheid van de aangezochte rechter te betwisten. Daaraan doet niet af dat de regeling omtrent de stilzwijgende forumkeuze in Verordening Brussel II-bis – waarbij in dit geval aansluiting moet worden gezocht (zie hiervoor) – voorschrijft dat de rechter moet vaststellen dat de verweerder wist dat hij de bevoegdheid van de rechter kon betwisten (de vergewisplicht). Volgens de Hoge Raad laten de feiten en omstandigheden in deze zaak geen andere conclusie toe dan dat de Engelse rechter zijn bevoegdheid in de huwelijksvermogensrechtelijke procedure kon baseren op de grond dat de man die bevoegdheid stilzwijgend heeft aanvaard (rov. 4.3.3-4.3.8).
Erkenningsvoorwaarde (iii): openbare orde
De erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet in verband met de inhoud daarvan, mag geen strijd opleveren met de openbare orde. In dit geval had de Engelse rechter de echtscheiding uiteindelijk niet uitgesproken, omdat het huwelijk van partijen is ontbonden door middel van een islamitische scheiding (talaq). Het GHvJ liet in het midden of de talaq in strijd is met de openbare orde. Hiervan uitgaande klaagde de man in cassatie dat het GHvJ ten onrechte heeft geoordeeld dat de daarop gebaseerde verdeling van het huwelijkse vermogen niet (eveneens) in strijd is met de openbare orde.
Deze klacht verwerpt de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad moet de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing, die in dit geval is gegeven in een zelfstandige procedure, in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing los worden bezien van de ontbinding van het huwelijk, die ten grondslag ligt aan de verdeling van het huwelijksvermogen. In het geval dat aan de orde is in deze procedure betekent dit dat de vraag of de talaq in strijd is met de Curaçaose openbare orde, niet van belang is voor de erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de Engelse rechter (rov. 3.3.2).
Afdoening
Volgt verwerping, in lijn met de conclusie van A-G Ibili. De man werd in feitelijke instanties bijgestaan door advocaten van HBN, en in cassatie door Hans van Wijk en Ruben de Graaff.