Hoge Raad 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:795
Het verplichtstellingsbesluit van de Bpf MITT voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat.
Achtergrond
Hazet drijft in de kern een groothandel in schoonmaak- en hygiëneartikelen. Onderdeel van haar assortiment is werkkleding. Hazet biedt de mogelijkheid om die werkkleding te voorzien van een bedrijfslogo. Deze activiteit omvat een klein deel van al Hazet haar bedrijfsactiviteiten.
Deelname in de Bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (hierna: Bpf MITT) is verplicht gesteld voor werknemers die werkzaam zijn bij werkgevers die vallen onder de werkingssfeer van dit besluit (hierna: het verplichtstellingsbesluit). De werkingssfeerbepaling is gekoppeld aan de bedrijfsactiviteiten van de werkgever. Met ‘Werkgever’ wordt onder het verplichtstellingsbesluit bedoeld:
‘iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf (…) uitoefent.’
Onder ‘Mode- en Interieurindustrie’ wordt onder meer verstaan het (doen) bewerken van kleding. Bpf MITT is van mening dat Hazet met het voorzien van een bedrijfslogo op werkkleding, kleding bewerkt en dus een verplicht deelnemer is. Hazet bestrijdt deze verplichte deelname in de Bpf MITT en is van mening dat zij niet onder werkingssfeer van de Bpf MITT valt. Hazet voert onder meer aan dat het aanbrengen van de bedrijfslogo’s maar een klein onderdeel is van haar activiteiten.
Het hoofdzaakcriterium en de toepassing van de cao-norm
Verplichtstellingsbesluiten kunnen een hoofdzaakcriterium bevatten. Zo’n hoofdzaakcriterium houdt in dat een onderneming onder de werkingssfeer valt als de onderneming ‘uitsluitend of in hoofdzaak’ de genoemde activiteiten in het verplichtstellingsbesluit verricht. Het verplichtstellingsbesluit in onderhavige zaak voorziet niet (met zoveel woorden) in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Hierdoor bestaat de vraag of het verplichtingstellingsbesluit aldus moet worden uitgelegd dat het voor die omvang van de activiteiten toch wel enige ondergrens inhoudt.
De uitleg van verplichtstellingsbesluiten moet naar vaste rechtspraak worden gedaan aan de hand van de cao-norm (zie onder meer ECLI:NL:HR:2023:1622, rov. 3.1.2,, CB 2024-4). Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Op die manier komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn. Bij de uitleg van de bepaling kan onder meer rekening worden gehouden met elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden kunnen leiden.
Het bestreden arrest
Het hof heeft in het bestreden arrest voor recht verklaard dat Hazet niet gehouden is om deel te nemen in de Bpf MITT. Naar het oordeel van het hof valt:
(i) Hazet wel onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit,
(ii) maar is het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Bpf MITT zich op het verplichtstellingsbesluit beroept.
Bpf MITT heeft tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld. Het beroep richt zich met name tegen het oordeel van het hof over de onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (oordeel (ii) hierboven). Hazet heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel van het hof over de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit (oordeel (i) hierboven).
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt eerst het incidentele beroep over de werkingssfeer, hoewel het voorwaardelijk is ingesteld, omdat het de verste strekking heeft. Bij de beoordeling neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat het verplichtingstellingbesluit volgens vaste rechtspraak moet worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm (rov. 3.2.2).
Het verplichtstellingsbesluit voorziet niet met zoveel woorden in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling. Dit staat niet eraan in de weg dat het besluit met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer wel enige ondergrens bestaat (rov. 3.2.3).
In een geval als hier aan de orde bestaat daar aanleiding voor. Dit gelet op de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg die zou meebrengen dat geen enkele ondergrens geldt. Het ontbreken van enige ondergrens zou ertoe leiden dat ondernemingen die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die geen betrekking hebben op de desbetreffende bedrijfstak, toch worden aangemerkt als werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit (rov. 3.2.3). De Hoge Raad oordeelt verder in rov. 3.2.4:
‘Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.3 is overwogen, moet het vaststellingsbesluit aldus worden uitgelegd dat niet als werkgever kan worden aangemerkt de onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit.’
Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep slaagt. Het verwijzingshof moet beoordelen of Hazet slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit (rov. 3.2.5). Hiermee ontstaat wel een nieuwe vraag: wanneer is sprake van een ‘verwaarloosbare’ activiteit? Het verwijzingshof is aan zet.
Als het verwijzingshof tot de conclusie komt dat Hazet niet slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht moet het opnieuw beoordelen of het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit (rov. 4.2).
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar het hof Arnhem-Leeuwarden. Daarmee oordeelt de Hoge Raad in lijn met de conclusie van A-G Assink.
Zie verder
Zie verder over ‘verwaarloosbare’ activiteiten de aangehaalde bronnen in de conclusie van A-G Assink.