Selecteer een pagina

HR 11 september 2026 ECLI:NL:HR:2026:1444

Anders dan onder de Wvggz, is voor het verlenen van onvrijwillige zorg geen rechterlijke machtiging vereist. De vraag of onvrijwillige zorg in de zin van de Wzd mag worden verleend, is door de wetgever overgelaten aan de zorgverlener.

De Wet zorg en dwang (Wzd) geldt wanneer er sprake is van onvrijwillige zorg bij mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) geldt voor mensen met een psychische stoornis.

In deze Wzd-zaak heeft de rechtbank op verzoek van het CIZ een opvolgende rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf voor betrokkene verleend. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat het verzoek niet aan de wettelijke eisen zou voldoen, omdat de vormen van onvrijwillige zorg niet (volledig) zijn opgenomen in het bij het verzoek gevoegde zorgplan. Namens betrokkene is om die reden gevraagd om aanhouding dan wel afwijzing van het verzoek.

De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Zij stelt vast dat het zorgplan is verstrekt. Dan is het vervolgens de vraag of het zorgplan dusdanige gebreken vertoont dat de rechtbank geen beslissing kan nemen op het verzoek. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aan de orde is. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, anders dan in de Wvggz, er in de Wzd voor is gekozen om de besluitvorming over de vormen van onvrijwillige zorg bij de zorgprofessionals te leggen. Voor zover er daarom een gebrek zou zijn in het zorgplan, vormt dit geen aanleiding voor een aanhouding of afwijzing van het verzoek, omdat de rechtbank de voor haar besluit benodigde informatie heeft.

In cassatie klaagt betrokkene dat de rechtbank het verzoek van het CIZ had moeten afwijzen dan wel aanhouden omdat het bij het verzoek overgelegde zorgplan niet (volledig) de vormen van onvrijwillige zorg vermeldt. De Hoge Raad verwerpt deze klacht:

“3.2    Het middel faalt. De Wzd brengt niet mee dat de rechter een verzoek om een machtiging als bedoeld in art. 24 lid 1 Wzd tot voortzetting van het verblijf van een betrokkene in een accommodatie moet afwijzen, of de behandeling van dat verzoek moet aanhouden, indien het op grond van art. 26 lid 7 Wzd overgelegde zorgplan niet (volledig) de vormen van onvrijwillige zorg vermeldt.”

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Dat is in lijn met de conclusie van A-G Coenraad. Zij wees er onder meer op dat in de Wzd afzonderlijke beoordelingskaders zijn opgenomen voor onvrijwillige zorg enerzijds en onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf anderzijds. Tegen die achtergrond concludeerde de A-G dat het zorgplan in de meeste gevallen niet strikt noodzakelijk zal zijn voor de beslissing op het verzoek tot opname of (voortgezet) verblijf, omdat de aanwezigheid van de gronden voor het verlenen van een rechterlijke machtiging al uit de andere over te leggen stukken moet blijken. Die stukken, zoals de medische verklaring, zijn immers toegespitst op de vraag of een rechterlijke machtiging moet worden verleend. Het zorgplan is daarentegen gericht op de vraag welke zorg betrokkene nodig heeft.

Het CIZ is in cassatie bijgestaan door Ruben de Graaff.

Share This

Cassatieblog.nl