Selecteer een pagina

HR 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1548

In een procedure op de voet van art. 3:268 lid 2 BW hoeven niet alle belanghebbenden te worden opgeroepen. Aan de belanghebbenden dient weliswaar de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling te worden gedaan, maar alleen als die belanghebbenden te kennen geven dat zij gehoord willen worden, moeten zij opgeroepen worden voor de mondelinge behandeling.

Feiten

Een hypotheekhouder gaat over tot executoriale verkoop van een woning. De hypotheekhouder heeft de voorzieningenrechter verzocht toe te staan dat de executie door middel van onderhandse verkoop aan bieder A zal geschieden. Op de bij het verzoekschrift gevoegde lijst met belanghebbenden zijn ook twee beslagleggers vermeld.

 Op de zitting is namens bieder B meegedeeld dat zij een hoger bod wil uitbrengen dan het bedrag dat bieder A had geboden. Daarop heeft een bieding plaatsgevonden, waarbij bieder B het hoogste bod deed. De hypotheekhouder is met dit bod akkoord gegaan. De beslagleggers zijn niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

 De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking bepaald dat de verkoop van de woning onderhands kan geschieden en zij heeft de koopovereenkomst tussen de hypotheekhouder en bieder B goedgekeurd. Op het voorblad van de beschikking zijn vermeld de hypotheekhouder, de hypotheekgevers en als belanghebbenden bieder A, bieder B en de beslagleggers. In het lichaam van de beschikking staat onder meer:

“De belanghebbenden die hebben aangegeven dat zij op dit verzoek willen worden gehoord, zijn voor de mondelinge behandeling opgeroepen.”

 Tegen deze beschikking hebben de hypotheekgevers hoger beroep ingesteld. Zij hebben aangevoerd dat het rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW moet worden doorbroken, omdat niet alle belanghebbenden zijn opgeroepen. Zij hebben op dit punt gesteld dat namens de beslagleggers niemand in de procedure is verschenen. Het hof heeft dit beroep gehonoreerd. Volgens het hof is sprake van een doorbrekingsgrond omdat de rechtbank een dusdanig ‘fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken doordat niet alle beslagleggers op de woning, die op grond van art. 3:268 BW als belanghebbende moeten worden aangemerkt, zijn opgeroepen’. Het hof heeft vervolgens, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot onderhandse verkoop afgewezen en een nieuwe veilingdatum bepaald.

 Cassatie

Doorbreking rechtsmiddelenverbod

In cassatie klaagt bieder B over het oordeel van het hof dat zich een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW voordoet.

De Hoge Raad begint met bespreking van zijn rechtspraak over de doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat degene die in weerwil van een wettelijk rechtsmiddelenverbod beroep instelt, daarin niet ontvankelijk is. Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak echter worden doorbroken indien sprake is van een doorbrekingsgrond. Van een doorbrekingsgrond is volgens vaste rechtspraak onder meer sprake als de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals bij schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

 Moeten alle belanghebbenden worden opgeroepen?

Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een doorbrekingsgrond omdat niet alle beslagleggers, die als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, zijn opgeroepen. Volgens de Hoge Raad geeft dit oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat in een procedure op de voet van art. 3:268 lid 2 BW alle belanghebbenden moeten worden opgeroepen. Art. 548 lid 3 Rv verplicht bij een verzoek tot goedkeuring van onderhandse executie tot overlegging van een lijst van de in art. 544 Rv bedoelde belanghebbenden. Vervolgens deelt de griffier aan die belanghebbenden onverwijld mee dat het verzoek is gedaan en dat zij op hun verlangen door de voorzieningenrechter kunnen worden gehoord. Hieruit volgt dat aan de belanghebbenden de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling moet worden gedaan, maar dat niet steeds alle belanghebbenden voor de mondelinge behandeling behoeven te worden opgeroepen; dat geldt alleen voor hen die de wens daartoe te kennen hebben gegeven. Het hof heeft volgens de Hoge Raad niet vastgesteld dat de beslagleggers die wens hebben geuit.

Als het hof heeft bedoeld dat de griffier niet aan alle belanghebbenden de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling heeft gedaan, kan het oordeel volgens de Hoge Raad evenmin in stand blijven. In dat geval mocht het hof niet zonder meer afgaan op het kennelijk aldus begrepen standpunt van de hypotheekgevers. De belanghebbenden, onder wie de beslagleggers, waren immers op het voorblad van de beschikking van de rechtbank vermeld. Uit het lichaam van de beschikking volgt dat de belanghebbenden die te kennen hebben gegeven dat zij op dit verzoek willen worden gehoord, voor de mondelinge behandeling zijn opgeroepen. Uit de beschikking van de rechtbank kan dus niet worden afgeleid dat de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling niet aan alle belanghebbenden, onder wie de beslagleggers, zou zijn gedaan. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van een doorbrekingsgrond was dus meer onderzoek vereist, bijvoorbeeld door navraag te doen bij de rechtbank.

Schending van hoor en wederhoor door hof?

Bieder B klaagt ook dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden doordat zij niet is opgeroepen. Deze klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad is bieder B als koper van de woning in eerste aanleg als belanghebbende verschenen en had zij om die reden op grond van art. 361 lid 1, tweede volzin, Rv, opgeroepen moeten worden.

Afdoening

Volgt vernietiging en verwijzing. Dit oordeel wijkt wat betreft de eerste klacht af van de conclusie van A-G de Bock. Zij vond het feit dat het hof op basis van de beschikking van de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of de mededeling aan alle belanghebbenden gedaan is reeds een schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, althans een schending van een essentieel vormvereiste.

Share This

Cassatieblog.nl