Selecteer een pagina

Alle berichten van: Jan Wertheim


HR 2 oktober, ECLI:NL:HR:2026:1595 (ING/Leferink q.q.)

De inningsbevoegdheid van de pandhouder omvat niet ook de bevoegdheid om de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Het gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten verzet zich ertegen dat partijen met goederenrechtelijke werking aan de pandhouder de bevoegdheid toekennen om de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. (meer…)

HR 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1548

In een procedure op de voet van art. 3:268 lid 2 BW hoeven niet alle belanghebbenden te worden opgeroepen. Aan de belanghebbenden dient weliswaar de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling te worden gedaan, maar alleen als die belanghebbenden te kennen geven dat zij gehoord willen worden, moeten zij opgeroepen worden voor de mondelinge behandeling. (meer…)

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:390 (Jansen q.q./Rabobank); ECLI:NL:HR:2026:391 (Rabobank/Louwerier q.q.)

Het verrekeningsverbod van art. 54 lid 1 Fw dat voor banken geldt met betrekking tot inkomende betalingen op de rekening van hun schuldenaar vanaf het peilmoment, geldt ook met betrekking tot de uitgaande betalingen die vanaf dat moment door hun schuldenaar via hen worden verricht. (meer…)

HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948 (William Schrikker Stichting, De Raad voor de Kinderbescherming en de belanghebbenden)

Als een screening van een pleeggezin door een pleegzorgaanbieder niet heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is, of de pleegzorgaanbieder meent dat de plaatsing grote veiligheidsrisico’s voor het kind met zich brengt en zij daarom geen verantwoordelijkheid (meer) voor die plaatsing wil dragen, brengt dit niet zonder meer mee dat de minderjarige niet in dat pleeggezin geplaatst kan worden of geplaatst kan blijven. Als de rechter of de Gecertificeerde Instelling (GI) echter van oordeel is dat plaatsing in het pleeggezin voor de minderjarige onvoldoende veilig is, moet plaatsing in dat gezin voorkomen of beëindigd worden.
Voor ouders van een minderjarig kind dat onder voogdij staat, bestaat geen regeling voor geschillen over de uitvoering van voogdij. Dit is geen hiaat in de wetgeving waarin de rechter zou moeten voorzien. (meer…)

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62

Aan het afwerende karakter van een beroep op een vernietigingsgrond van art. 4:62 BW doet niet af dat dit beroep is gedaan in de vorm van een vordering in reconventie. Voor toepasselijkheid van de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW is de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend. De uitzondering is niet van toepassing op diegene die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde. Voor de kwalificatie als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW is een BIG-registratie niet vereist.  (meer…)

Cassatieblog.nl