Selecteer een pagina

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:390 (Jansen q.q./Rabobank); ECLI:NL:HR:2026:391 (Rabobank/Louwerier q.q.)

Het verrekeningsverbod van art. 54 lid 1 Fw dat voor banken geldt met betrekking tot inkomende betalingen op de rekening van hun schuldenaar vanaf het peilmoment, geldt ook met betrekking tot de uitgaande betalingen die vanaf dat moment door hun schuldenaar via hen worden verricht.

Achtergrond

Banken mogen volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de bedragen die zij voor de schuldenaar van derden ontvangt niet verrekenen met de vorderingen die zij op haar klant heeft, vanaf het (peil)moment dat de bank weet of behoort te weten dat het faillissement van de schuldenaar te verwachten is. Dit heeft de Hoge Raad afgeleid uit art. 54 lid 1 Fw. Op het verrekeningsverbod van art. 54 lid 1 Fw is door de Hoge Raad in het arrest Mulder q.q./CLBN een uitzondering aanvaard voor het geval dat de inkomende betaling de voldoening van een vordering betreft die aan de bank is verpand. Verpanding van alle vorderingen van de rekeninghouder is echter niet steeds mogelijk, bijvoorbeeld omdat het praktisch onmogelijk is een dergelijk pandrecht te vestigen voordat de vordering teniet is gegaan.

Deze problematiek speelt met name in de retailsector. In deze sector vindt verkoop van verpande goederen immers doorgaans plaats tegen directe betaling: de klant betaalt bij de kassa vaak direct met zijn pinpas. Deze betaling leidt ertoe dat de koopprijsvordering – voor zover deze al ontstaat – meteen weer tenietgaat, zodat het voor de banken praktisch gezien niet mogelijk is om op die vorderingen een pandrecht te vestigen. Het is immers niet mogelijk om deze vorderingen bij voorbaat stil te verpanden, nu de vordering tot betaling van de koopprijs niet voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding (vgl. art. 3:239 lid 1 BW). Nu op deze vorderingen geen pandrecht te vestigen is, is het ook niet mogelijk voor de banken om een beroep op de uitzondering uit het arrest Mulder q.q./CLBN te doen. De bank heeft met betrekking tot deze vorderingen dus geen verrekeningsbevoegdheid en zal de inkomende gelden dus moeten afstaan aan de curator.

Bij de banken bestaat echter wel de wens om deze vorderingen te verrekenen. Daarom zoeken zij naar mogelijkheden om toch verrekeningsbevoegd te worden ten aanzien van deze vorderingen. Zo heeft de Rabobank in een recente procedure bepleit dat zij bevoegd is tot verrekening van hetgeen met een pinpas wordt betaald voor verpande voorraden. Het hof ging hierin echter niet mee en na een voor de bank negatieve conclusie van A-G Snijders werd het cassatieberoep tegen de uitspraak van het hof ingetrokken.

Met deze twee (proef)procedures probeert de Rabobank op een andere manier de voor haar negatieve gevolgen van het verrekeningsverbod te mitigeren. Dat doet zij door in deze procedures te bepleiten dat het banken wel toegestaan zou moeten zijn om gelden te verrekenen die zij in de periode na het peilmoment voor de rekeninghouder heeft ontvangen indien en voor zover de bank tevens uitgaande betalingen faciliteert. Men pleegt dit verrekenen met uitgaande betalingen ook wel ‘salderen’ te noemen. Indien men aan zou nemen dat het banken toegestaan is te salderen, hoeft de bank niet alle ontvangen gelden zonder enige inhouding af te dragen aan de boedel, maar kan zij daarop de bedragen in mindering brengen waarover de rekeninghouder heeft beschikt in diezelfde periode door middel van betaalopdrachten.

De uitspraken van de hoven

De hoven kwamen tot diametraal tegenovergestelde antwoorden op de vraag of salderen toegestaan is. Waar het hof Arnhem-Leeuwarden tot de volgende conclusie kwam:

“Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat artikel 54 lid 1 Fw niet in de weg staat aan verrekening van de schuld die voor de bank ontstaat als gevolg van de creditering van een inkomende betaling op de rekening van de schuldenaar na de peildatum als bedoeld in dit artikel, met de vordering die de bank verkrijgt op de schuldenaar door het daarna nog uitvoeren van betalingsopdrachten.”

Kwam het hof ’s-Hertogenbosch tot de volgende conclusie:

“Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de bank na het peilmoment betalingen uitvoert, geen reden is om artikel 54 Fw en de hiervoor aangehaalde rechtspraak niet toe te passen. De inkomende betalingen na de peildatum dienen aan de boedel toe te komen en daarop mag de bank geen voorrangspositie creëren. Dat doet Rabobank wel op het moment dat zij deze in rekening-courant en op de lopende rekening van Impact boekt. Dat de bank per saldo niet is bevoordeeld, is niet relevant. Het gaat erom dat de bank geen voorrang krijgt op het verhaalsobject, zijnde de inkomende betalingen op de rekening van Impact. Deze dient zij niet in een rekening-courantverhouding met Impact op te nemen nu dat leidt tot een verrekening van rechtswege.”

Tegen beide uitspraken is door de verliezende partij cassatieberoep ingesteld. A-G Snijders is in zijn conclusies uitgebreid ingegaan op de materie en is uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat het banken niet toegestaan is om te salderen.

De Hoge Raad

De Hoge Raad houdt het kort. Nadat hij zijn eerdere rechtspraak over art. 54 Fw heeft herhaald, overweegt hij in de ene zaak als volgt:

“In de rechtspraak is aldus aanvaard dat de bank zich na het moment waarop zij niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw niet op verrekening mag beroepen ten aanzien van betalingen die binnenkomen op de rekening die de schuldenaar bij de bank aanhoudt. Er is geen aanleiding om hierop een uitzondering te aanvaarden voor het geval dat de bank na dat peilmoment uitgaande betalingen van die rekening heeft verricht.”

In de andere zaak oordeelt hij als volgt:

“De Hoge Raad heeft vandaag uitspraak gedaan in zaak 24/02147. In die zaak is dezelfde rechtsvraag aan de orde gesteld als in deze procedure. Uit de uitspraak in die zaak blijkt dat de door het middel in deze procedure verdedigde rechtsopvatting onjuist is. De klachten van het middel falen daarom.”

Wetsvoorstel

 Overigens heeft de minister recentelijk een wetsvoorstel (Wet modernisering pandrecht en cessie) ter consultatie aangeboden. De wetgever stelt voor om het grondslagvereiste van art. 3:239 lid 1 BW te schrappen, zodat het mogelijk wordt om ook dubbel toekomstige vorderingen bij voorbaat te verpanden. Dit maakt het mogelijk om de hiervoor besproken vorderingen uit de retailsector (die bijna direct na het ontstaan van de vordering door betaling tenietgaan) te verpanden. Deze vorderingen zullen dus binnen de reikwijdte van de uitzondering van Mulder q.q./CLBN vallen, wat het mogelijk zal maken voor banken om die vorderingen te verrekenen met hun eigen vorderingen op de failliet. De hier besproken problematiek zal dus voor de banken verminderen in belang.

De consultatieperiode is op 15 februari 2026 gesloten. Nog niet bekend is of het voorstel uiteindelijk wet zal worden. De reacties op het voorstel waren niet onverdeeld positief.

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwerpt het cassatieberoep tegen het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch. Dit oordeel is in lijn met de conclusies (link 1, link 2) van A-G Snijders.

Share This

Cassatieblog.nl