Selecteer een pagina

Dossier: Mededingingsrecht


HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:241

Deze zaak gaat over de vraag of Zilveren Kruis als zorgverzekeraar in strijd heeft gehandeld met het vrije verkeer van goederen of het mededingingsrecht, door een bepaald geneesmiddel volledig te vergoeden aan een zorgaanbieder als deze het inkoopt bij de fabrikant van het geneesmiddel en slechts gedeeltelijk te vergoeden – door toepassing van een afslag – als die zorgaanbieder het inkoopt bij een paralleldistributeur. De Hoge Raad bevestigt dat het afslagenbeleid niet valt binnen de reikwijdte van het vrij verkeer van goederen. De Hoge Raad verwerpt ook de op het mededingingsrecht gebaseerde cassatieklachten. (meer…)

Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:241

Ruben de Graaff bespreekt het arrest van de Hoge Raad over de vraag of het afslagenbeleid van Zilveren Kruis in strijd is met het vrije verkeer van goederen of het mededingingsrecht.

Cassatievlog #156 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946 (Deutsche Lufthansa A.G. e.a./Stichting Cartel Compensation en Deutsche Lufthansa A.G./Equilib) en
HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 (Uzdaroji Akcine Bendrove Palink e.a./CNH Industrial N.V. e.a.)

  1. Als sprake is geweest van een enkele en voortdurende inbreuk op het Europese kartelverbod, dan is de vraag of het doeltreffendheidsbeginsel meebrengt dat hieruit – ter bepaling van het toepasselijke recht – voor elke benadeelde één schadevordering voortvloeit. 2. De Wet conflictenrecht onrechtmatige daad staat geen eenzijdige rechtskeuze voor de lex fori toe. 3. Niet duidelijk is of Verordening Rome II geheel of gedeeltelijk van toepassing is op schadevorderingen die voortvloeien uit een inbreuk die deels voor en deels na inwerkingtreding van deze verordening heeft plaatsgevonden. 4. Als een inbreuk zich uitstrekte over meerdere landen, dan is de vraag of het land waarvan de markt (waarschijnlijk) wordt beïnvloed in de zin van art. 6 lid 3 onder a Verordening Rome II het land is waar de benadeelde onderneming de betreffende goederen heeft gekocht, dan wel (als dat meerdere landen zijn) het land waar zij is gevestigd. 5. Het is de vraag of voor het uitbrengen van een eenzijdige rechtskeuze als bedoeld in art. 6 lid 3 onder b Verordening Rome II naast de in die bepaling genoemde voorwaarden ook de voorwaarde geldt dat de benadeelde zelf in meerdere landen schade heeft geleden. De Hoge Raad stelt over prejudiciële vragen aan het HvJEU over al deze vraagpunten, behoudens de beslissing ten aanzien van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad.

(meer…)

HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:300

(i) Een dominante onderneming is niet verplicht om aan al haar afnemers dezelfde prijs in rekening te brengen.
(ii) Om vast te kunnen stellen of de prijsdiscriminatie een nadeel bij de mededinging oplevert, moeten alle relevante omstandigheden van het concrete geval worden geanalyseerd.
(iii) De Hoge Raad noemt, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, verschillende omstandigheden die de rechter daarbij kan betrekken. (meer…)

HR 21 april en 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:660 en ECLI:NL:HR:2023:965

De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU over het vermoeden van ‘één onderneming’ in geval van beslissende invloed van de moedermaatschappij bij het bepalen van een nauwe band als bedoeld in art. 8 sub 1 Brussel I-bis. (meer…)

Hoge Raad 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in mededingingszaken. Concreet gaat het erom of de Nederlandse rechter mag oordelen over een vordering op een Griekse dochtervennootschap van Heineken, vanwege misbruik van een machtspositie in Griekenland. Heineken is in Nederland gevestigd en kan hier dus voor de rechter worden opgeroepen. Of de Griekse dochter ook in Nederland kan worden gedagvaard, hangt ervan af of tussen de vorderingen op Heineken en haar dochter sprake is van een nauw verband als bedoeld in art. 8, punt 1, van Verordening Brussel I-bis. De Hoge Raad vraagt aan het Europees Hof of bij die beoordeling moet worden uitgegaan van het vermoeden van beslissende invloed van de moeder (Heineken) op haar dochter, zoals dat geldt in het materiële Europese mededingingsrecht. En, zo ja, of voor het aannemen van bevoegdheid ten aanzien van de dochter voldoende is dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat van die invloed sprake is geweest. Jerre de Jong bespreekt deze zaak in dit vlog.

Cassatievlog #062 is ook als podcast beschikbaar.

Cassatieblog.nl