Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: bevoegdheid


HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814

Volgens rechtspraak van het HvJEU worden een dochtermaatschappij en een moedermaatschappij die daarin (nagenoeg) alle aandelen houdt voor de toepassing van de mededingingsregels als één onderneming gezien. Dat werkt ook door in de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van een vordering tot aansprakelijkheid wegens overtreding van de mededingingsregels: die kan worden aangebracht bij de rechter van het land waar één van beiden woonplaats heeft (art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis). De rechter kan alleen dan geen bevoegdheid aannemen als op voorhand uitgesloten is dat de moedermaatschappij beslissende invloed had op de dochtermaatschappij. (meer…)

HR 29 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1265 en ECLI:NL:HR:2023:1266 

In de praktijk is het mogelijk dat een zaak die wordt aangebracht bij de Nederlandse rechter al eerder is aangebracht bij de rechter van een ander land. In zo’n geval rijst de vraag of de Nederlandse rechter, ook al is hij op zichzelf bevoegd, de behandeling toch zou moeten aanhouden of zich onbevoegd zou moeten verklaren, om zo tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Daarover gaan de twee uitspraken van de Hoge Raad die Ruben de Graaff in dit vlog bespreekt.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #070 is ook als podcast beschikbaar.

Hoge Raad 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in mededingingszaken. Concreet gaat het erom of de Nederlandse rechter mag oordelen over een vordering op een Griekse dochtervennootschap van Heineken, vanwege misbruik van een machtspositie in Griekenland. Heineken is in Nederland gevestigd en kan hier dus voor de rechter worden opgeroepen. Of de Griekse dochter ook in Nederland kan worden gedagvaard, hangt ervan af of tussen de vorderingen op Heineken en haar dochter sprake is van een nauw verband als bedoeld in art. 8, punt 1, van Verordening Brussel I-bis. De Hoge Raad vraagt aan het Europees Hof of bij die beoordeling moet worden uitgegaan van het vermoeden van beslissende invloed van de moeder (Heineken) op haar dochter, zoals dat geldt in het materiële Europese mededingingsrecht. En, zo ja, of voor het aannemen van bevoegdheid ten aanzien van de dochter voldoende is dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat van die invloed sprake is geweest. Jerre de Jong bespreekt deze zaak in dit vlog.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #062 is ook als podcast beschikbaar.

HR 23 december 2022 ECLI:NL:HR:2022:1937

Gelet op de aard van een het verzoek om een machtiging op de voet van art. 26 Wzd, te weten vrijheidsbeneming, dient bewijs te worden verstrekt van de bevoegdheid van de desbetreffende medewerker van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een dergelijk verzoek in te dienen, als de betrokkene hierom verzoekt. (meer…)

HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:743 (Cassatie in het belang der wet)

Alle Nederlandse voorzieningenrechters zijn relatief bevoegd in kort gedingen over Gemeenschapsmodellen. Voor zover art. 3 Uitvoeringswet GModVo anders bepaalt, is het artikel onverbindend. (meer…)

Cassatieblog.nl